Posts tonen met het label Overig. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Overig. Alle posts tonen

maandag 30 maart 2009

Change Leiden

Change is in the air

Op een verloren zaterdagmiddag in het V&D restaurant het verkort verkiezingsprogramma in elkaar gedraaid. Direct de Mare mee gehaald, in tweevoud (zie onder) - en Campus.tv (link). Enkele dagen geleden in anderhalf uur de verkiezingsposters gemaakt (ook daarvoor zie onder), het weblog changeleiden.blogspot.com opgericht en een mediastrategie uitgedacht. Vanmiddag geinterviewd door kiesleiden.nl

Het hangt in de lucht, dit jaar verlopen de universitaire verkiezingen heel anders.

Leiden deserves Change.

(wordt vervolgd...)







zaterdag 14 februari 2009

‘Völler, by Kasbergen’

Dit keer een bericht uit de oude doos. Onderstaande actie heb ik opgezet voor het EK 2008. Het bleek een enorm succes. De ‘Völler, by Kasbergen’ t-shirts gingen als warme apfelstrudel over de toonbank. De eerste drie wedstrijden speelde het Nederlands elftal sprankelend, ja zelfs - mag ik het zeggen, ja ik mag het zeggen - majestueus. Helaas vergaten sommige vrienden van Oranje in hun overwinningsroes het ‘Völler, by Kasbergen’ t-shirt te dragen tijdens de wedstrijd tegen Rusland. De rest is geschiedenis. Wat ons rest is een glimlach op het gezicht telkenmale als wij weer even terugdenken aan die tijd. Die spannende tijd net voor het EK 2008. Die tijd waarin wij ervan overtuigd waren dat de Nederlandse leeuw op voetbalschoenen de hele wereld aankon. Nee, die tijd komt nooit meer terug.

Vrienden van Oranje,

Het EK 2008 staat voor de deur en we merken het! Weggeëbde vaderlandsliefde wordt weer springlevend, lang vergeten grensconflicten worden weer relevant en de straten kleuren koninklijk Oranje.

Het hangt in de lucht. Zou het San Marco gaan lukken met een sterrenteam van talenten als van Persie, Babel en Huntelaar en geroutineerde vaste waarden als van Bronckhorst, Ooijer en van der Sar, Europa nogmaals aan zijn voeten te krijgen? Kan de schande van ’74 definitief worden uitgewist? Vragen die eenieder bezighouden, en terecht.

Een Europees Kampioenschap, dames en heren, moet beleefd worden in gepast tenue. Daarom heb ik met veel pijn en moeite modeontwerper Kasbergen over weten te halen tot het opnieuw uitbrengen van een controversieel t-shirt, destijds speciaal ontwerpen voor het EK 2004. Een t-shirt dat in 2004 reeds de modewereld op zijn kop zette en de kranten haalde (zie onderstaande foto) en waarin sindsdien door de dragers ervan (beperkte oplage van 10 stuks) halve marathons zijn gelopen, de liefde is verklaard en, zo gaan de geruchten, zelfs de liefde is bedreven.

U wordt de unieke kans geboden om het t-shirt: ‘Völler, by Kasbergen’ wederom te bestellen! (zie de bijlage t-shirt_voller_by_kasbergen voor een voorbeeld) Als u uiterlijk dinsdag 3 juni een e-mail stuurt met uw maat (S,M,L,XL; Tip bestel een klein maatje voor die hippe slim-fit look!) naar peter_kasbergen@hotmail.com, dan ligt vanaf vrijdag 6 juni het t-shirt voor u klaar. Net op tijd voor het EK dus!

Let wel op! Er zijn beunhazen die denken makkelijk geld te kunnen verdienen door een slecht gelijkende kopie van het t-shirt ‘Völler, by Kasbergen’ voor veel te veel geld aan te bieden. Bijvoorbeeld de beunhazen van 'Shirtshop' (link). Het is overbodig om te benadrukken dat u alleen met een echte ‘Völler, by Kasbergen’ genoegen moet nemen.

Bijkomend voordeel is dat u met de aankoop van het unieke t-shirt ‘Völler, by Kasbergen’ tevens voor onbepaalde tijd het lidmaatschap verwerft van de Vereniging van ‘Völler, by Kasbergen’ Bezitters (kortweg VVBB). De eerste activiteit van de VVBB zal plaatshebben op maandag 9 juni. Voorafgaand aan de wedstrijd Nederland - Italië verzamelt de VVBB (uiteraard in ‘Völler, by Kasbergen’ tenue) om te drinken en te eten en elkaar gave verhalen te vertellen over voetbal, waarna wordt gekeken hoe Nederland Italië van de mat speelt. Dat is logisch, want San Marco geniet in Italië nog zoveel aanzien dat de blauwhemden zullen wijken voor de Nederlandse leeuw zoals de Rode Zee week voor Mozes. Meer informatie over deze activiteit volgt spoedig!

Ik zie uw bestellingen graag tegemoet. Stuur deze e-mail ook vooral door naar mannen en vrouwen waarvan u denkt dat ‘Völler, by Kasbergen’ ze erg goed zou staan!

--------

Karl Lagerfeld in de Cosmopolitan (zomer 2004) over het t-shirt ‘Völler, by Kasbergen’:

‘Shocking, controversial, over-the-top. Kasbergen is setting new standards in the fashion industry!’

-------

Andre Hazes over het Nederlands elftal:

‘Jij bent een kampioen
Wij houden van Oranje
Om zijn daden en zijn doen’

-------

donderdag 29 januari 2009

Nu verkrijgbaar bij de betere boekhandel

The State of Access

In januari is onder redactie van Gowher Rizvi and Jorrit de Jong het boek 'The State of Access: Success and Failure of Democracies to Create Equal Opportunities' verschenen. Het is uitgegeven door Brookings Institution Press in Washington DC. Jorrit de Jong en ik schreven het vierde hoofdstuk: 'Economic entitlements: facilitating immigrant entrepreneurship.' Het boek is te bestellen bij de betere boekhandel of via Amazon.co.uk (directe link). Naar aanleiding van de overweldigende belangstelling voor publieke optredens van ondergetekende - veroorzaakt door dit bericht - zijn boekingen en persoonlijke signeersessies vanaf nu alleen nog mogelijk via mijn impresariaat, te bereiken met een e-mail naar: info@public-cinema.com

Een korte beschrijving van het boek 'The State of Access' en een afbeelding van de omslag vind je hieronder:

This book documents a worrisome gap between principles and practice in democratic governance. The State of Access is a comparative, cross-disciplinary exploration of the ways in which democratic institutions fail or succeed to create the equal opportunities that they have promised to deliver to the people they serve.

In theory, rules and regulations may formally guarantee access to democratic processes, public services, and justice. But reality routinely disappoints, for a number of reasons—exclusionary policymaking, insufficient attention to minorities, underfunded institutions, inflexible bureaucracies. The State of Access helps close the gap between the potential and performance in democratic governance.


vrijdag 27 juni 2008

Take-home tentamen Wijsgerige Antropologie

Voor het vak Wijsgerige Antropologie 2 van Th.C.W. Oudemans, aan de faculteit Wijsbegeert van de Universiteit Leiden, heb ik onderstaand take-home tentamen gemaakt. Tien uur ploeteren aan tien vragen: een slijtageslag. Ik moet bekennen dat ik de stof maar half onder de knie had, maar vermoed dat ik nooit veel verder zal komen. Het resultaat was overigens voldoende. Een krat bier voor degene die het hele stuk uit weet te lezen - en mij in een paar zinnen kan vertellen wat hier eigenlijk staat.

Tentamen Ba 2. 2007-8.
Peter Kasbergen, 0231630

1. Hoe verhouden ‘inherited conglomerate’ en filosofie zich tot elkaar en wat is daarvan de methodische betekenis?

In de tijd van het inherited conglomerate bestond het verschil tussen mythos en logos nog niet. Mythos en logos hebben beiden meerdere betekenissen, waarvan één gezamenlijke betekenis het Nederlandse woord ‘spraak’ is. Zij onderscheiden zich doordat de ‘spraak’ in mythos verbonden is met de verhalende vorm van spreken (vergelijk het Nederlandse ‘mythe’), terwijl de ‘spraak’ in logos verbonden is met de rede (ook dat zien we terug in een Nederlandse woord: ‘logisch’).
Ten tijde van het inherited conglomerate zag men de werkelijkheid continu veranderen maar had men daar geen antwoord op. De werkelijkheid ‘overkwam’ de mens als het ware en daar kon hij alleen maar verhalend over spreken, als ware hij overgeleverd aan de goden. Net als in de Griekse tragedies liep het voor de mens vaak ongelukkig (noodlottig) af.
De filosofie scheidt mythos en logos en richt zich volledig op de zoektocht naar het laatste: de logos van de werkelijkheid (met behulp van de eigen logos). De filosofie was in eerste instantie een poging om de veranderende werkelijkheid te systematiseren, om stabiliteit aan te brengen door te zoeken naar het eeuwige, universele en onveranderlijke (Plato’s ideai zijn daar een uiting van). Het vervolg van deze zoektocht van het begrijpen van de werkelijkheid moet bestaan in het beheersen ervan, waardoor de mens zijn eigen lot kan bepalen.
De methodische betekenis van deze verhouding is dat de filosoof op zoek gaat naar de constant blijvende eenheid in de immer veranderlijke werkelijkheid. Met kennis daarvan kan immers de werkelijkheid worden gesystematiseerd en beheerst. Daarmee heeft de filosofie de aanzet gegeven tot de methode van het reduceren: het onveranderlijke element uit de veranderlijke werkelijkheid scheiden en eruit lichten. De reductie is door latere filosofen en wetenschappers uitgebreid en afgerond.

2. Welke relevantie heeft Wittgensteins voorbeeld van de kleurstaal die een schilder gebruikt binnen de grote reductie?

Plato maakt het ontologisch onderscheid tussen de veranderlijke dingen en hun onveranderlijk ideai. Zo is het mogelijk dat de verschillende dingen delen in hetzelfde, bijvoorbeeld de groene kikker en het groene lelieblad. Het onveranderlijk is hier de Platoonse idea groen (groenheid). Hiermee formuleerde Plato een antwoord in de zoektocht naar het onveranderlijke, die door de omslag van het inherited conglomerate naar de filosofie was ingegeven. Plato heeft hiermee reeds de eerste stap in de reductie gezet.
Wittgenstein zet de volgende stap in de grote reductie; die van de pragmatische reductie (overigens gaat hieraan vooraf de mechanische reductie, die ik niet verder zal behandelen). Wittgenstein elimineert de metafysica door te stellen dat de wezens (bij Plato de ideai) van de dingen geen bovenzinnelijke wezens zijn maar verworden zijn tot voorbeeld of maat. De reductie is pragmatisch omdat dit onderscheid niet gericht is op bovenzinnelijkheid, maar op werkzaamheid (pragmatisme komt etymologisch van het Griekse prassein, dat ‘werken’ betekent). De Parijse standaardmeter is geen bovenzinnelijk idea en ook niet na te meten op zijn lengte, omdat hij de maat is voor alle metingen. Wel zorgt gebruik van deze standaardmeter ervoor dat gebouwen niet scheef staan en bruggen niet instorten. Wittgenstein gebruikt de kleurstaal van een schilder als soortgelijke maat. Of de kleurstaal daadwerkelijk de kleur heeft die hij zou moeten hebben is geen relevante (want metafysische) vraag. Of de schilder vervolgens een muur schildert in dezelfde kleur is wel een relevante (want pragmatische) vraag.
Wittgenstein’s voorbeeld van de kleurstaal is relevant, maar slechts een tussenstap in de grote reductie, die zijn afronding vind in het darwinisme. Het onderscheid tussen maat en gemetene wordt door het darwinisme geëlimineerd: ook de lengte van de standaardmeter zelf of de kleur van de kleurstaal is veranderlijk. Dit besef is in de bouwkunde of schilderkunst wellicht nog niet doorgedrongen, maar de veranderlijkheid van de species in de biologie toont dit aan: van de soort ‘paard’ zijn vele varianten, maar ook de soort ‘paard’ is in zichzelf veranderlijk.

3. Hoe kun je aan geschiedenis van de filosofie doen zonder met de filosofologie samen te vallen?

Filosofologie is het op historische wijze vergelijken en interpreteren van de uitspraken van filosofen, waarbij de uitspraken vanuit het onderzoekende object gelijkgeschakeld worden en naast elkaar worden gelegd, als ware het contextloze uitspraken. Filosofologie bedrijven is met andere woorden doen alsof filosofie wetenschappelijk bestudeerd kan worden. De wetenschap is in tegenstelling tot de filosofie wel gericht op het doen van universeel geldende en contextloze uitspraken, zoals de uitspraak dat water kookt bij 100 graden. Daarom kan ik gerust wetenschappelijke uitspraken van Newton vergelijken met die van Richard Hawking. Ik kan onmogelijk hetzelfde op filosofische wijze hetzelfde doen met uitspraken van Plato en Kant. Ik kan dus onmogelijk het onsterfelijke ‘zielsbegrip’ bij Plato vergelijken met het sterfelijke ‘zielsbegrip’ bij Kant en beargumenteren wie ‘het meest overtuigend’ zijn ‘standpunt’ heeft ‘beredeneerd’.
Aan de geschiedenis van de filosofie doen zonder filosofologisch te worden vereist in eerste instantie het besef dat ik in de vorige paragraaf heb geuit. Als dit besef aanwezig is moet worden onderzocht hoe ik wel op filosofische wijze de geschiedenis van de filosofie kan bestuderen. Oudemans schrijft: ‘Je denkt zo humaan te zijn en als zodanig op een lijn met alle andere ‘mensen’, dat je meent met Plato of Descartes op voet van gelijkheid in gesprek te kunnen gaan. Terwijl Plato en Descartes misschien geen ‘mensen’ waren, maar concentratiepunten van betekenissen die van mensen niet afhankelijk zijn en voor het menselijk denken onverschillig’ (Echte Filosofie, p. 55). De geschiedenis van de filosofie op filosofische wijze onderzoeken betekent daarom de te onderzoeken filosofen ernstig te nemen door te zoeken naar de betekenis die in hun woorden ligt (in hun eigen taal), bedenken wat de betekenis signaleert en daar niet mijn interpretatie aan te verbinden. Een voorbeeld: als Nietzsche schrijft dat de waarde-inschatting van de logica alleen het door ervaring bewezen nut voor het het leven bewijst en niet de ‘waarheid’ ervan (Echte Filosofie, p. 113), dan moet ik daar filosofisch het signaleren van de pragmatische reductie in lezen en niet Nietzsche’s ‘kijk op de dingen’. Overigens hoort daarbij het besef dat de woorden niet Nietzsche’s woorden zijn, maar dat hij bewogen is door iets waar hij met lang bestaande woorden uiting aan geeft.

4. Wat is het verband tussen de replicatieve identiteit en de eenvormigheid van het planetaire mensdom?

Identiteit gaat over hetzelfde, over het onveranderlijke element in de veranderlijke wereld. Bij Plato was dit de idea, bijvoorbeeld de idea van de letter A in alle varianten ervan. Het identiteitsprincipe A=A moet aangeven dat er weliswaar twee verschillende A’s zijn, maar dat de idea A behouden blijft: het is in beiden aanwezig.
De darwinistische reductie van het leven toont echter dat identiteit replicatief is: het identiteitsprincipe A=A formuleren is alleen mogelijk als er twee verschillende A’s worden gebruikt: De A moet zichzelf dus repliceren om het identiteitsprincipe te kunnen formuleren. Met andere woorden: identeit – datgene wat behouden blijft (wat bij Plato nog de vraag was naar ‘wat is’ oftwel de vraag naar ‘zijn’) – is replicatie.
Om het verband tussen de replicatieve identiteit en de eenvormigheid van het planetaire mensdom te begrijpen moeten we het onderscheid maken tussen vermenigvuldiger (replicant) en vehikel, in geval van de mens – en ook de dieren – het gen (of: genoom) en het lichaam. Replicatie laat variëteit toe, omdat er verschil is tussen de replicanten (vergelijk de eerste en tweede A). Het genoom (gecodificeerd in het DNA) kent dus variatie, wat fenotypisch tot uiting komt in de kenmerken van het lichaam. De replicanten zijn evenwel niet gericht op variëteit of eenvormigheid; die ontstaat door een combinatie van toeval (toevallige genetische mutatie) en schaarste waardoor zij die minder fit zijn niet overleven. De evolutie kent simpel gezegd geen doel (tenzij je replicatie een ‘doel’ wil noemen), laat staan dat ze ernaar streeft.
De vehikels als fenotype en de omgeving (als extended phenotype) worden daarentegenwel eenvormiger. Ook hierachter schuilt geen doel; de eenvormigheid staat simpelweg de economisch meest verantwoorde replicatie toe. De replicant stuurt zijn fenotype in het (technologisch) ontwerpen van de omgeving naar economische ratio: de ratio van de eenvormigheid.

5. Hoe verhouden nietigheid en privatio zich tot elkaar?

Oudemans schrijft: De gedachte dat nietigheid uitsluitend en alleen privatio is, die is ontleend aan de ontologie van de bestendige aanwezigheid. (Echte Filosofie, p. 160) Privatio betekent in eerste instantie ‘het wegnemen van iets’, maar ik denk dat het in dit verband beter begrepen kan worden als ‘de afwezigheid van iets’ (zoals kwaad de afwezigheid van het goede – privatio boni – zou zijn). Plato kende twee soorten niet-zijnden: ούκ οv en μη οv. Als iets er helemaal niet is in de veranderende werkelijkheid was het volgens Plato ούκ οv. Een damspel kan bijvoorbeeld in zijn geheel afwezig zijn, maar tevens is het niet een schaakspel (ούκ οv). De veranderlijke dingen echter zijn μη οv; ze zijn er wel, maar deficiënt. Zo is een schaakspel waarvan een loper mist nog steeds een schaakspel, maar met een defect (μη οv). Maar ook is het schaakspel nietig in de zin dat het een verafschaduwing is van zijn idea. Het ontbreekt aan iets, de dingen worden gekenmerkt door privatio. Dit is de oude verhouding tussen nietigheid en privatio: een enkelvoudige verhouding.
De huidige verhouding tussen nietigheid en privatio is dubbelzinnig. Plato zag in de nietigheid enkel privatio, die zich in meest extreme vorm uiting geeft in sterfelijkheid (terwijl de ideai onsterfelijk zijn). De replicatieve bestaanswijze echter toont dat defecten en gebreken (privatio) ook de bron van emergentie zijn, van variatie en overleven. De vlinder die door een genetische mutatie andersgekleurde vleugels heeft, blijkt achteraf soms beter aangepast aan de omgeving dan de niet-gemuteerde variant. De privatio die Plato alleen als μη οv kon begrijpen, blijkt ‘voorwaarde’ voor succesvolle replicatie. Vaak is dit niet direct in te zien, Oudemans schrijft zelfs dat dit nooit – ook in het geval van historische gebeurtenissen – het geval is: ‘De betekenis van een replicatieve betekenis is nooit zichtbaar op het moment zelf. Deze betekenis is zelfs zo verdeeld – nietig – dat ze blijft veranderen terwijl de geschiedenis of de evolutie voortgaat’ (Echte Filosofie, p. 159)

6. Waarom is de metafoor metafysica?

Het woord metafoor komt van het Griekse metapherein dat ‘overdragen’ betekent. Een metafoor is tekst of taal waarmee wordt gerefeerd aan iets dat het niet is, zonder dat daarbij het woord ‘zoals’ of een gelijkend woord wordt gebruikt. Aristoteles gebruikt als eerste het woord metafoor en schrijft daarover dat het is: ‘de toepassing van een vreemde naam door het overdragen van geslacht (genus) naar soort (species), of van soort naar geslacht, of van soort naar soort, of door analogie naar verhouding’ (Aristoteles Poetica 21, 1457b9-16 and 20-22; http://plato.stanford.edu/entries/aristotle-rhetoric/#8.2; vertaling uit het Engels door mijzelf). In het huidige taalgebruik spreken we alleen in het laatste geval van metafoor, bijvoorbeeld: homo homini lupus est.
Metafysica is het maken van een onderscheid tussen zijnden en zijn, tussen de dingen en hun aanblik, en – in dit geval meest relevant – tussen de woorden en hun betekenis. De metafoor is metafysica, omdat bij het gebruik van de metafoor de woorden niet meer als teken of dingen worden gebruikt (zoals sinds de pragmatische reductie duidelijk is geworden) om (in)direct te manipuleren, maar ze worden ingezet om te referen aan iets bovenzinnelijks, iets wat blijkbaar niet te beschrijven is met de woorden als dingen. Om het te illustreren aan de hand van homo homini lupus est; de mens is niet ‘letterlijk’ een wolf (voor andere mensen), maar er zijn aan hem kenmerken van de idea wolf toe te schrijven, kenmerken in de zin van de betekenis die het woord wolf in zich zou dragen. Dezelfde uitspraak doen op een niet-metafysische wijze zou bijvoorbeeld luiden: de mens is in staat tot egoïstisch gedrag dat andere mensen schaadt. Dat deze uitspraak niet half de zeggingskracht heeft van homo homini lupus est en gebrek aan precisie lijkt te hebben toont hoe ons taalgebruik is getekend door de metafysica.

7. Hoe verhoudt de struggle for existence zich tot het excentrische?

Het darwinisme leert dat er een scheiding bestaat tussen replicant (het genoom) en vehikel (lichaam van mens of dier). De replicant heeft een vehikel nodig om te repliceren. Het vehikel heeft een bepaalde mate van geschiktheid (fit) om te overleven (survival), dat is af te zien aan het ontwerp ervan. Voor de replicatie van het genoom is het voortbestaan (existence) van het vehikel in confrontatie (struggle) met de buitenwereld nodig, maar overbodig op het moment dat het zich via nakomelingen heeft gerepliceerd. Dit kan verklaren waarom moeders zich opofferen om hun jongen te laten overleven; zij worden hierin gestuurd door hun genoom. Er woedt dus een strijd tussen replicant en vehikel die tegengesteld functioneren.
Het vehikel is sterfelijk en is zich continu aan het verzetten tegen de dood: de struggle for existence is met andere woorden een struggle against death. In deze struggle staat het vehikel in continue een verhouding met de omgeving, het organisme ‘is’ alleen in interactie met zijn omgeving; het is daarin excentrisch, buiten zichzelf. Zoiets als ‘autonomie over het eigen lichaam’ is dus een fictie. Tegelijkertijd is een organisme teruggeworpen op zichzelf voor de struggle against death. Daar schuilt een dubbelzinnigheid in. Excentrisch zijn is – als de strijd tussen replicant en vehikel verhevigt – uiteindelijk keren tegen de eigen replicatie, in meest extreme vorm een poging zich te onthouden van replicatie.
Dieren verschillen in mate van excentriciteit; zonder van ‘bewustzijn’ te spreken blijkt uit het gedrag dat sommige dieren enerzijds hun omgeving beter kunnen manipuleren dan anderen en beter zijn toegerust voor de struggle against death, en zich anderzijds ‘beseffen’ dat ze op zichzelf zijn teruggeworpen. De mens is het meest excentrische dier, die op een gegeven moment kan gaan denken dat hij niet meer hoeft te repliceren. Maar de dubbelzinnigheid wil dat juist de mens zich het meest repliceert, omdat de mens zijn omgeving met behulp van techniek onder de knie krijgen. De mens kan zijn omgeving het meest manipuleren. Hierdoor neemt de excentriciteit als echte struggle against death af, maar vind in toenemende name zijn uiting in het produceren van quasi-replicanten: enerzijds nakomelingen en anderzijds producten die gericht zijn op het bereiken van ‘onsterfelijkheid’ zoals boeken en andere cultuuruitingen.

8. Hoe speelt de verhouding tussen eenheid en veelheid in Plato’s Theaetetus?

Plato’s Theaetetus is een zoektocht naar een antwoord op de vraag ‘wat is kennis?’. Socrates ziet in de jongeman Theaetetus iemand die ‘zwanger is van kennis’ en die hij van die kennis kan laten bevallen door middel van de Socratische dialoog. Socrates stelt Theaetetus de vraag wat kennis is en Theaetetus beantwoord door een veelheid aan mensen op te noemen die ergens kennis van hebben (146C-D). Socrates zegt hem vervolgens: ‘But the question, Theaetus, was not to what knowledge belongs, nor how many the forms of knowledge are; for did we not wish to number them, but to find out what knowledge itself really is’ (146 E). In een volgende passage zegt Socrates naar aanleiding van Theaetetus’ mededeling dat het aantal (wiskundige) wortels oneindig is: ‘[…] though they were many, try to designate the many forms of knowledge by one definition’ (148D).
In deze passages blijkt hoe de verhouding tussen eenheid en veelheid in de Theaetetus speelt. Er is een veelheid – zo niet een oneindigheid – aan kenobjecten (bijvoorbeeld de wortels) en een veelheid aan forms of knowledge (bijvoorbeeld kennis van de verschillende ambachten). Socrates wil zowel de kenobjecten als de forms of knowledge samennemen en plaatsen onder één noemer (letterlijk: samennemen in de richting van één). Het woord definitie (definition) moet in dit verband dus niet worden begrepen in moderne zin als ‘overeengekomen omschrijving’ – of iets dergelijks. Het vinden van het woord dat de eenheid van de vele dingen kan uitdrukken is geen synthese of het zoeken naar een gemeenschappelijk kenmerk; het woord – dat reeds lange tijd aanwezig is en dus niet van filosofische makelij – moet de filosoof ‘tegemoet komen’ of ‘raken’, eventueel met behulp van Socratische maieutiek. In staat van verwondering – zoals Theaetetus overkomt in (155D) – moet het de filosoof duidelijk worden ‘wat kennis is’. Echter die vraag is onmogelijk te beantwoorden: de dialoog Theaetetus eindigt in aporie.

9. Welke verbanden zie je tussen maieutiek en de grotgelijkenis?

Er zijn een aantal verbanden tussen (Socratische) maieutiek en de grotgelijkenis.
De maieutiek van Socrates bestaat erin jongemannen zoals Theaetetus die ‘zwanger zijn van kennis’ te laten bevallen van die kennis door middel van ze in een Socratische dialoog te bevragen. Die bevalling is het met moeite opwekken van iets waarvan Socrates vermoedt dat het aanwezig is in de jongemannen die hij spreekt. Hij heeft niet altijd de juiste gesprekspartners gekozen, want hij moet de gebaarde ‘real children’ (kennis in geval van de Theaetetus) kunnen onderscheiden van de ‘mere images’ (Theaetetus 150B). Op dezelfde manier als Socrates jongemannen bevrijdt van onwetendheid is er in de grotgelijkenis sprake van een bevrijding van iemand in de grot (Grotgelijkenis 515 C).
Door welke instantie de persoon in de grot wordt bevrijd blijft onduidelijk, maar het vermoeden is dat Socrates hier wordt bedoeld. Dat vermoeden wordt versterkt door het feit dat de zojuist bevrijde persoon wordt verteld dat de beelden die hij tot dat moment zag slechts afschaduwingen zijn van de werkelijkheid en dat hij nu naar ‘werkelijker dingen is gekeerd’ (Grotgelijkenis 515 D). Ook wordt de persoon de vraag ‘wat is dat’ gesteld, hetgeen ook Socrates in zijn rol als vroedvrouw doet; hij wil in de Theaetetus weten wat kennis is.
De maieutiek is daarbij gericht op het opwekken en bezweren van de pijnen bij zwangerschap (Theaetetus 149D). Op dezelfde manier wordt de bevrijde persoon in de grot gedwongen pijnen te ondergaan: letterlijk doet het licht pijn aan zijn ogen (Grotgelijkenis 515 E). De maieutiek is bedoeld om uiteindelijk de ‘wat is’ vraag te beantwoorden, de vraag naar het idea van de dingen.
In de grotgelijkenis tenslotte zal de bevrijde persoon in laatste instantie de zon zelf – en dus niet haar weerspiegelingen – kunnen aanschouwen (Grotvergelijking 516 B). Hierin zou een verband met het Goede als hoogste idea dat net als de zon licht geeft aan de dingen kunnen schuilen.

10. Vertaal en leg uit:

Nietzsche, KSA 13, p. 233: … der Socialist, der Anarchist, der Nihilist, indem sie ihr Dasein als etwas empfinden, an dem Jemand schuld sein soll, ist damit immer noch der Nächstverwandte des Christen, der auch das Sichschlechtbefinden und Mißrathen besser zu ertragen glaubt, wenn er Jemanden gefunden hat, den er dafür verantwortlich machen kann.
Der Instinkt der Rache und des ressentiment ist in beiden Fällen, erscheint hier als Mittel, es auszuhalten, als Instinkt der Selbsterhaltung: ebenso wie die Bevorzugung der altruistischen Theorie und Praxis.
Der Haß gegen den Egoismus, sei es gegen den eigenen, wie beim Christen, sei es gegen den fremden, wie beim Socialisten, ergiebt sich dergestalt als ein Werthurtheil unter der Vorherrschaft der Rache; andrerseits als eine Klugheit der Selbsterhaltung Leidender durch Steigerung ihrer Gegenseitigkeits- und Solidaritätsgefühle …

Vertaling
De socialist, de anarchist en de nihilist, doordat ze hun bestaan als iets gewaar worden waaraan iemand schuldig moet zijn, zijn daarmee altijd noch de naaste bloedverwanten van de christen, die ook zijn eigen slechte toestand en mislukken beter kan verdragen, wanneer hij iemand gevonden heeft die hij daarvoor verantwoordelijk kan maken.
Het instinct van wraak en ressentiment openbaart zich in beide volgende gevallen, hier als middel, om het uit te houden, als instinct van zelfbehoud; daar openbaart het zich als de bevoorrechting van de altruistische theorie en praktijk.
De haat tegen het egoïsme, zij het tegen de eigen mensen, zoals bij christus, zij het tegen de vreemde mensen, zoals bij de socialisten, openbaart zich als een waardeoordeel onder de hegemonie van de wraak; aan de andere kant openbaart het zich als een slimmigheid van zij die zichzelf behouden door verhoging van hun wederkerigheids- en solidariteitsgevoelens…

Uitleg
In deze passage ‘ontmaskert’ Nietzsche de ethiek van socialisten, anarchisten en nihilisten. Ogenschijnlijk en naar eigen zeggen hebben zij het beste voor met iedereen en zijn zij in hun ethiek puur altruïstisch. Echter, Nietzsche wijst erop dat dit niets anders is dan zelfbehoud: omdat ze zich in een nadelige positie bevinden (om wat voor reden dan ook) en het egoïsme hen heeft benadeeld en altijd zal benadelen hebben ze door dat zijzelf het meeste baat hebben bij een altruïstische ethiek – in dit geval uit te leggen als alle ethiek anders dan ethisch egoisme. Zij zullen dan op ethische principes kunnen wijzen om baten te ontvangen, en kunnen verhullen dat zij eigenlijk enerzijds wraak willen nemen en ressentiment ervaren vanwege de situatie waarin ze zich bevinden en anderszijds zichzelf willen behouden – en daarmee eigenlijk het egoïsme aanhangen dat ze zeggen zo te haten.
Nietzsche had reeds vroeg door welke implicaties het darwinisme heeft voor de ethiek, zo blijkt uit deze passage. Het darwinisme is gestoeld op egoïsme van de replicanten – hoewel je dat nooit zo kan zeggen: de replicanten ‘zijn’ niet ‘egoïstisch’, want kennen slechts doelloze replicatie. Altruïsme is te verklaren als het opofferen van vehikels voor de replicatie van het genoom, en als ethiek overbodig geworden. Zij die altruïstische ethiek aanhangen bedriegen anderen alsmede zichzelf.

donderdag 3 april 2008

Preconference VeerStichting Leiden



(Klik op de flyer voor groter formaat)

Preconference VeerStichting Leiden

OPLADEN!

De dreiging van extremistische religie, terrorisme en klimaatveranderingen leiden tot grote zorgen. De verzorgingsstaat dreigt onbetaalbaar te worden en er ontstaan lange wachtlijsten in de gezondheidszorg. We zijn ontevreden over de kwaliteit van het onderwijs, vrezen dat probleemwijken tot getto’s verworden en zien met lede ogen de afname van sociale cohesie en fatsoensnormen aan. Maar misschien wel het ergste van alles is dat we passief en pessimistisch zijn geworden: het vertrouwen in de samenleving, de politiek en de overheid is lager dan ooit tevoren. ‘Het zal onze tijd wel duren’, lijkt de heersende opvatting te zijn.

Onze generatie studenten moet uit deze negatieve spiraal omhoog klimmen. We hebben nieuwe energie nodig om met een positieve grondhouding de problemen van de moderne samenleving te lijf te gaan. Daartoe moeten wij ons opladen, individueel en als collectief. Wie uit de MTV generatie durft een proactieve houding aan te nemen en de impasse waarin de maatschappij zich bevindt te doorbreken?

Op vrijdagavond 18 april verzamelden zo'n 90 mensen zich op de Sociëteit Minerva aan de Breestraat 50 voor de preconference van de VeerStichting Leiden.

Op de preconference gaf cultuurfilosoof en trendwatcher voor Cyrte Investments Haroon Sheikh (26) een lezing geven over hoe we de problemen van de moderne samenleving moeten begrijpen. Jenneke van Doorn laadde het publiek daarna op met een intensieve meditatiesessie. Een panel bestaande uit de volgende mensen discussieerde interactief met de zaal over hoe we op een actieve en opgeladen manier de problemen van de moderne samenleving kunnen aanpakken:
• Benyounes Rhioues, jongerenwerker jongerencentrum Mistic, Leiden Noord
• Louk Rademaker, gemeenteraadslid SP Leiden, Instituut voor Maatschappelijke Innovatie
• Mischa Tan, vrijwilliger Voedselbank Leiden
• Vincent Kagie, gemeenteraadslid GroenLinks Leiden
• Laura Karsters, Vluchtelingenwerk Zuid-Holland Noord, projectcoördinator Inburgering en Integratie
De preconference werd geleid door Duco Hoogland (23), debatleider en gemeenteraadslid in Rotterdam. Aansluitend aan de conferentie werd een borrel aangeboden door de VeerStichting.

De preconference was de opmaat naar het VeerStichting Symposium dat wordt gehouden op 30 & 31 oktober 2008, en diende ter kennismaking met het thema ‘OPLADEN!’. Deelnemers aan de preconference worden aangemoedigd om een kort essay te schrijven voor deelname aan het VeerStichting Symposium.

Wij bedanken iedereen die aanwezig was op de preconference voor zijn actieve bijdrage en zien uit naar het VeerStichting Symposium!

Met vriendelijke groeten,

Metteke Blikkendaal & Peter Kasbergen
Ambassadeurs 29ste Veerstichting Symposium Leiden

vrijdag 21 december 2007

Film van het jaar 2007

Voor de jaarlijkse Volkskrant verkiezing van de film van het jaar heb ik de volgende top 10 ingezonden:

1. Bobby
2. Das Leben der Anderen
3. Letters from Iwo Jima
4. Manufacturing Dissent: Uncovering Michael Moore
5. The Last King of Scotland
6. Blades of Glory
7. Nacho Libre
8. Sicko
9. Death Proof
10. The Prestige

Absolute hoogte- en dieptepunten zijn de volgende:

Absolute hoogtepunt van het filmjaar 2007 was de politieke film Bobby. Hoewel van ver voor mijn tijd (ik ben 23), 'herleefde' ik het optimisme en de oprechte betrokkenheid bij de politiek van de jaren '60. Ik was vooral erg ontroerd door de integraal in de film verwerkte speech van Robert Kennedy. Een groot compliment voor Emilio Estevez als regisseur, een man die mij als acteur nooit was opgevallen. Ik hoop in de toekomst meer films van zijn hand te zien.

Een soort dieptepunt was 'Man of the Year', voornamelijk omdat ik er veel meer van had verwacht. Ik ben trouw kijker van Amerikaanse politieke satirische programma's als The Daily Show en The Colbert Report en had gehoopt dat deze film op die lijn voort kon borduren. Hoewel de campagne van Robin Williams als 'talkshow host turns president' erg geestig was, blijkt het helaas toch teveel gevraagd om een hele film van dat niveau te maken.