Deel drie van het Leids drieluik ‘De montere jongens Mozes’
Als een willekeurige voorbijganger zou worden gevraagd wat het meest opvalt aan Sarah Jansen, dan is dat zonder twijfel haar litteken. Het loopt van net onder haar rechteroog tot aan haar mondhoek. Het is slordig gehecht en lelijk genezen. De punctiegaten van de hechtnaald zijn duidelijk zichtbaar.
Als men haar ernaar vraagt, en dat gebeurt met regelmaat, vertelt ze dat ze vroeger op sociëteit van het buffet is gevallen. Met haar gezicht in een bierglas. Meestal zegt men oh. Gevolgd door een diep zwijgen.
Over Levi spreekt ze niet.
De zomer van 2007 was er een zoals alle anderen. Het verenigingsjaar was ten einde gekomen met een kroegjool. Acht meter glas was gesneuveld, twee neuzen waren gebroken. Een meisje was vrouw geworden. Bloed en bier had gevloeid. En nu had Leiden een kater.
Op banken buiten hingen verveelde studenten. Sarah lag in Levi’s armen in bed. Naast het bed Levi’s tentstappers. Besmeurd. Over een stoel zijn bestuurspak. Uitgescheurd. Andere kleren had hij niet meer. Kwijt. Verschwunden zeggen Duitsers. Het lichaam van Levi was getekend door corpstatoeages. Striae overspanden zijn hele buik door de 18 kilo extra gewicht die zijn bestuursjaar had opgeleverd. Dat bracht het totaal op 109.
Sarah volgde met haar vingers een barst in Levi’s huid. Levi ontwaakte. ‘Doe 's ophouden’ gromde hij, en draaide zich om. Een lichaam dat als enige de zware leestafel om kan gooien, dacht ze, en klom bovenop hem. ‘Sarah, laat me met rust en val me niet lastig’. Hij wierp haar van zich af, stapte uit bed en liep naar de wasbak. Sarah staarde uit het raam. ‘Levi, je leeft nu al een jaar op een vierkante kilometer tussen het Rapenburg en de Breestraat.’ Levi trok zijn voorhuid naar achteren, legde hem op de rand van de wasbak en rekte zich uit. ‘Laten we ergens heen gaan Levi’. Vooruit zei hij, en waterde.
Yalla yalla riep de buschauffeur. Hij smeet hun koffers in het laadruim en gebaarde Sarah en Levi driftig de bus in te gaan. Syrië was anders. Het landschap was desolaat. De mannen hadden hoekiger gezichten. Ze keken Sarah schichtig aan. Als ze terugkeek keken ze weg. En als zij wegkeek keken ze terug. Maar beter dan Jordanië. Teveel Russen in de Dode Zee. Teveel Fransen bij de opgravingen in Petra.
In de krappe bus van Basra naar Damascus betreurden de Syriërs nog steeds het verlies van de Golan hoogten. Sarah betreurde haar reis met Levi. Misschien zou hij zich anders gedragen dacht ze. IJdele hoop. Zijn arrogante corpshouding bleek hardnekkig. Het eten vond hij goor, de hostels nog goorder en de andere backpackers het allergoorst. Over ‘nieuwe mensen ontmoeten’ hoefde ze niet te beginnen.
Hoewel Levi het niet expliciet uitsprak, had Sarah het idee dat hij haar deze reis kwalijk nam. Bij Romeinse opgravingen, moskeeën en souq’s toonde hij opzichtige desinteresse. Zijn waardeloze conditie gaf hem een excuus om bij het dichtstbijzijnde koffiehuis te gaan zitten. Zwetend. Het hielp niet dat eten en drinken in het openbaar tijdelijk verboden was. Misschien was het onhandig om tijdens de Ramadan naar het Midden-Oosten te gaan. Maar Sarah had er niet aan gedacht. Ze had er ook niet aan gedacht dat de afwezigheid van alcohol Levi onhandelbaar zou maken. Als hij voldoende rookte was het draaglijk. Maar de impulsieve woedeaanvallen van voor zijn bestuursjaar waren weer terug. En met elke woedeaanval voelde Sarah zich schuldiger.
Tegen de avond bereikten ze Damascus. ‘Al-Merjeh square. Bus stop. Yalla yalla’. Sarah en Levi stapten uit. ‘Welcome to Syria’ riep de chauffeur hen na, en grijnsde zijn bruine tanden bloot. Vanwege Ramadan waren er veel bedelaars op straat. ‘Baksjisj mister, baksjisj’. Op weg naar hostel Al-Rabie duwde Levi de straatkinderen van hem af. Hij was vadsig maar sterk, en straalde nog steeds een natuurlijke dominantie uit. Sarah voelde zich trots dat Levi van onder de niqaabs langdurig werd nagekeken. Ze kon het niet zien, maar een vrouw weet dat, wanneer haar man begeerd wordt. Het kostte haarzelf moeite om Levi nog te begeren. Intimiteit in het openbaar was uitgesloten. In de ranzige hostels de lichamelijke liefde afwezig.
Nadat ze hun huurauto hadden opgehaald en bij het hostel hadden geparkeerd, gebruikten ze het avondmaal. Starend naar hun bord. Khobz, houmous, falafel. Onheilspellende stilte. Halverwege de maaltijd begon Levi zwaar snuivend adem te halen. Sarah zette zich schrap voor een woedeaanval. Maar die bleef uit. Ze keek op en zag hoe Levi een stuk brood in haar handen drukte. Hij bracht zijn hoofd dicht bij het hare en fluisterde ‘vergeet mij maar, Sarah. Doe mij maar weg uit je herinnering’. Even keek hij haar aan. Zijn ogen stonden afwezig. Toen stond hij op en liep weg. Verbijsterd bleef Sarah aan tafel zitten. Twee uur lang. Roerloos. Ze dacht aan het college Romeins Recht vorig collegejaar. Hoe Levi de schil van een sinaasappel had gepeld. Hoe zijn toewijding bij de simpele taak haar had ontroerd. Hoe hij haar twee parten had gegeven, druipend van het sap. Hoe ze ‘s avonds voor het eerst hadden getongd in de WW. Daar zag niemand je ooit.
Een voorzichtige hand op haar schouder. ‘Woman, we are closing, woman’. Sarah staarde naar een stel bruine tanden. Het was de buschauffeur. Met een schort voor, en de rekening in zijn hand. ‘Yes yes. Two jobs, woman. Eight children’, zei de ober. Hij keek naar beneden.
Levi was intussen ver doorgedrongen in de Oude Stad van Damascus. Irrationele woede had zich weer meester van hem gemaakt. Hij bewoog zich wild voort. Had willekeurig afgeslagen in het labyrint van overhellende straatjes. In een slecht verlichte doorgang hield hij hijgend halt. Plotseling hoorde hij een stem in de schemer. ‘Easy now tiger’. In een portiek aan zijn voeten zat een oude man met lang zwart haar. Het flauwe lantaarnschijnsel weerkaatste op zijn ronde brillenglazen. Zijn peuk gloeide op. ‘I was once like you’, vervolgde de oude man onverstoorbaar, ‘full of uncontrollable rage. But I know what helps. Please come inside, Levi.’
De man drukte zijn peuk uit, en duwde een zware houten deur open. Levi liep achter hem aan en volgde hem naar een binnenplaats. Op de grond lagen rode kussens met gouden stiksels. ‘Sit down, Levi. My name is Monkith by the way’. De binnenplaats werd omringd door een donkere zuilengang, waar Monkith in verdween. Tussen de zuilen stonden sokkels met bronzen beelden erop. Vrouwen en vogels, in rare poses. Ze hadden extreem lange armen en vleugels. Alsof ze reikten naar het luchtledige. ‘You like my sculptures Levi?’ Monkith kwam terug met een fles en een kan water. Hij schonk een glas voor de helft vol uit de fles, en vulde bij met water en ijs. ‘This is arak Levi. That will calm you down, not?’ Levi dronk gulzig. De anijs brandde achterin zijn keel.
‘That is such a nice shirt’, zei Monkith, en wees naar de print van MC Escher op Levi’s shirt.
- ‘Thanks, I borrowed it from my brother Juliaan.’
‘MC Escher was a great Dutch artist. In my sculptures I try to capture some of his surrealism. Life is often surreal too, isn’t it Levi?’
- ‘Well, mine is pretty straightforward.’
‘You think?’
- ‘Yes, I started studying in Leiden four years ago. Became a member of my fraternity because my whole family was. I am now on the board of my fraternity. I just spent a year drinking…’ Levi dacht even na over het Engelse woord voor paardenkut. ‘…anyway, I drink a fruit spirit and soda, Monkith, because they say it contains little calories.’ Hij keek naar Monkith’s magere lichaam. Monkith zag het en kreeg pretoogjes.
‘You should have drunk arak, Levi’.
Levi grinnikte, en vervolgde:
- ‘I will probably work for some law firm in the future. A recruiter from Allen & Overy told me I am a high potential. I want to specialize in mergers and acquisitions.’
‘You study law, Levi? You should come and work here in Syria. We don’t have much law here. Our government mainly specializes in murders and executions. Nobody attends university here, but we all graduated from the university of life. You know what I mean?’
Monkith’s pretogen waren verdwenen. Levi knikte. De arak had hem gekalmeerd. Hij voelde een onbekende rust over zijn lichaam komen. Zwijgend rookten Monkith en hij een sigaret.
- ‘Can I ask you something Monkith. Why are you so friendly? You don’t know me at all.’
‘Well, as for knowing you, I think you might be surprised. But truth is, I was sent on a mission Levi. To save you. Just like any man needs to be saved. But I am not the one who can do it for you. Only a woman can.’
Monkith schonk opnieuw arak in.
- ‘I am sorry Monkith, but I don’t understand what you say.’
‘Let me explain. You told me about your life. Now let me tell you about mine. Are you Jewish, Levi?’
- ‘No, my father is, but I am not.’
‘Well, in this part of the world everyone is of a certain religion. But contrary to what you might think I’m no Muslim. I am a Baha’i. I was born as such in a little village called Griyat, in Iraq 43 years ago. Life was simple then. I used to build clay sculptures on the banks of the river Tigris. You know it is said that its water flowed forth from the Garden of Eden, Levi? Griyat was a peaceful place, somewhat like paradise, until the Baath party came to power. We were persecuted because of our religion. Or because of our political activism. Who knows. They always find a reason Levi.’
Monkith schonk twee nieuwe glazen arak in. Hij draaide zijn rug naar Levi, en tilde zijn shirt op. Het maanlicht wierp slagschaduwen op zijn littekens. ‘I was lucky, Levi. They executed 13 of my cousins. I had to flee the country. Leave my parents behind. I ended up here. Living on the streets. Living on arak. And the Baath party still looked for me here. I would have died either way, Levi, and nobody would have noticed. But a woman saved me. She took me in her house, and gave me a new identity. She gave new meaning to my life. In return I gave her the only things I could offer: my love and my sculptures.’
De arak veroorzaakte bij Levi een roes die hij herkende van absint en mescal. Zijn eigen stem klonk steeds verder weg.
- ‘Monkith, you seem at peace now, despite your suffering. Why am I not at peace? What am I fleeing from? Which demons am I fighting? I have nothing to worry about.’
‘It is precisely that, Levi. Alongside your worries your society has lost its soul. You’ve freed yourself from religion and ideology, but nothing has taken its place. Nothing but work, good manners and boredom.’ Monkith liet zijn woorden even bezinken. ‘I even heard some of you become sick from working too much. People here become sick from tap water. So we enjoy every occasion in the presence of our loved ones. Because Inshallah, it may be our last.’
- ‘But should I live like every day is my last, Monkith?’
Monkith glimlachte bemoedigend.
‘Let me just say that our lives here happen in the present. Your lives happen fifteen minutes from now. You live like you’re always running late for something. But your philosophers were right, Levi, life should be an art as well.’
- But how can I be an artist, Monkith? I don’t even know how to entertain myself.’
Monkith moest lachen.
‘See, Levi, you know how to entertain me. Everything is already there. You just retrieve what you lost along the way.’
- ‘I am anxious, Monkith’.
‘Don’t be’.
Zes uren lang praatten ze door. Steeds gehaaster. Steeds fragmentarischer. En ze dronken. Totdat de fles leeg was, en ze uitgeput in de kussens achterover zakten. Het zevende uur waren ze stil. Plotseling werd de stilte ruw doorbroken door de oproep voor het ochtendgebed. Uit schelle speakers klonk Allahu Akbar.
Levi kwam overeind.
- ‘Has everything been said, Monkith?’
‘Never, Levi, never.’
Ze omhelsden elkaar. Levi’s shirt rook naar verschraald zweet. Monkith gaf hem één van zijn beelden. Een vrouw met een kind in haar armen. Met het beeld onder zijn arm strompelde Levi terug naar het hostel. Een bedroefd gevoel kwam over hem heen. Het gevoel van een groot verlies. Hij bedacht zich dat Monkith hem nooit om zijn naam had gevraagd.
Toen Levi het hostel bereikte had het eerste zonlicht ook Sarah bereikt. Het scheen tussen de gordijnen door op haar rug. Ze lag te slapen. Levi zette het beeld op de grond. Voor het eerst in zijn leven keek hij goed naar Sarah. Voor het eerst zag hij hoe mooi ze eigenlijk was. Hij begon te twijfelen. Zou zij het zijn? Had Monkith dat bedoeld? Hier, op de plek van alle oorsprong? Nee, te laat.
Levi pakte Sarah op en nam haar in de brandweergreep. Ze kreunde iets, maar bleef slapen. Met Sarah over zijn schouders liep Levi naar hun huurauto. Hij zette haar op de passagiersstoel, en nam achter het stuur plaats. Hij draaide het raam open en startte de auto. Ongehinderd door de ochtendspits draaide hij de M1 snelweg op. To Iraq, zei het verkeersbord. Elke truck die uit tegengestelde richting passeerde blies een wolk warme woestijnwind in zijn gezicht. Zijn slingerende rijden ontlokte getoeter. In halve slaapwaaktoestand kroop Sarah tegen hem aan. Levi drukte het gaspedaal diep in, en voor het eerst in 21 uur sloot hij zijn ogen. Hij hoorde het aanzwellende lawaai van de claxon van een truck. Maar hij gaf nog meer gas. En hij voelde niets. Niets dan het ritmische gebonk van hun auto op het kapotte Syrische asfalt. En ja toch ook, haar aanwezigheid.
Sarah heeft Levi niet weggedaan uit haar herinnering. Integendeel, ze denkt nog dagelijks aan hem. Haar laatste herinneringen zijn vertroebeld door de morfine. De artsen met baarden. De operatiekamer. De splijtende pijn aan haar gezicht. Levi’s broer Juliaan die naast hem zit aan het bed. Continu bellend. Schreeuwend. Vloekend. Tot er stilte is. Opvallend eigenlijk, hoe geruisloos de dood voorbijtrekt. Alsof hij zegt, let maar niet op mij.
Haar littekens neemt ze Levi niet kwalijk. Littekens doen geen pijn. Maar het gebrek aan waarom is martelend. In de hoop het ooit te weten te komen kijkt ze vaak naar het beeld. Het rare beeld van de vrouw met een kind in haar veel te lange armen. Alsof dat op een dag opeens gaat praten. Onlangs ontdekte ze dat iemand iets in de sokkel van het beeld heeft gekrast:
The Virgin Mary, made by Monkith, R.I.P. * Griyat 1964 - † Damascus 1997
Nog steeds vraagt Sarah zich af wie Monkith eigenlijk is.
---
Posts tonen met het label Korte Verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Korte Verhalen. Alle posts tonen
zondag 4 april 2010
vrijdag 26 december 2008
Het onwaarschijnlijke verhaal van Atlas Mozes
Deel twee van het Leids drieluik ‘De montere jongens Mozes’
Inzending Mare kerstverhalenwedstrijd 2008. Het juryrapport is hier te lezen.
Negentienhonderd en vijfenzeventig jaar nadat een anonieme Romeinse soldaat in Golgotha de laatste spijker door de hand van de Verlosser sloeg werd Karsten Mozes hardhandig gewekt door zijn huisgenoten. Plaats van het voorval: de zolderkamer van studentenhuis ‘Sine Labore Nihil’ aan de Hogewoerd 63 te Leiden. Gelegen tussen zijn lattenbodem en matras sliep Karsten nog twee uur door. Hij droomde onderwijl dat hij als wolf rondzwierf door een uitgestorven faculteit om uiteindelijk tussen de benen van zijn scriptiebegeleider te gaan liggen en haar ontblootte enkels te likken. Ze was een voluptueuze Griekse vrouw met een neus als die van een beeld van het Paaseiland. Opeens beet hij hard in haar been en versplinterde bot. Ze krijste en Karsten ontwaakte opnieuw. De matras duwde hij van zich af. Starend naar zijn beschimmelde plafond viel een druppel water rechtstreeks in zijn open mond. Vloekend schraapte hij zijn keel en hoestte een rochel op, die hij in een leeg pakje Marlboro uitspuugde. Zijn telefoon die naast zijn bed lag trilde kort: ‘1 oproep gemist - Juliaan (neef)’. Het zou een bewogen dag worden.
‘You’ve got mail’ kraakte een blikkerige vrouwenstem, waarop Karsten naar zijn computer strompelde. Een pop-up verscheen op het scherm: ‘uitleen universiteitsbibliotheek - rappel uitlening - 23/3/07 - Montaigne: Essais’. Hij klikte de mail weg en staarde naar een foto van een hoogblonde vrouw in een cheerleader kostuum die ontegenzeglijk geen onderbroek droeg. Zo’n outfit zou het goed doen op themafeesten meende Karsten, terwijl hij zijn mannendeel heftig tot een hoogtepunt beroerde en op dat moment pas bemerkte dat zijn boxershort zeiknat was.
Onder de douche waste hij sperma, urine en zonden van zich af. Hij poetste zijn tanden zonder tandpasta en puntte met een roestige schaar zijn schaamhaar bij. ‘Vanitas, vriend, ordinaire vanitas’ zei hij hardop terwijl hij de onderkant van zijn scrotum inspecteerde met behulp van het scheerspiegeltje. Dat was nog geen makkelijke opgave, want het spiegeltje hing op ooghoogte. Karsten spande zijn spieren, nam de pose van Michelangelo’s David aan, en constateerde in het scheerspiegeltje een treffende gelijkenis. Hij droogde zich af met zijn Suske & Wiske handdoek en kleedde zich aan.
Beneden lagen zijn huisgenoten Gabriel (‘Gabri’) en Caspar (‘Kleine’) op de bank naar de Sweet Sixteen marathon op MTV te kijken.
- ‘Bedankt voor het keren vanochtend, jongens’, bromde Karsten.
‘Altijd welkom Kars. Had je gezopen? We zagen dat je weer eens in je bed had gepist.’
- ‘Even de trekker overgehaald. Kan anders niet meer slapen tegenwoordig.’
‘Die chicks van Rap 30 kwamen hier zojuist langs. Je hebt ze vannacht weer gebeld, maar ze begrepen je moeilijke verhalen niet. Ze stellen het op prijs als je het niet meer wil doen.’
- ‘Tuurlijk Gabri, no problemo.’
Op televisie gilde een meisje tegen haar vader dat ze geen BMW maar een Ferrari wilde voor haar zestiende verjaardag.
Karsten liep de deur uit langs een campagneposter van oud-huisgenoot Alex P.; ooit veilingmeester, nu politicus. Hij tekende een dun snorretje op P.’s bovenlip en siste tegen de poster: ‘Bravo vriend, van de oprechte schoonheid van de kunsten naar de spuuglelijke hypocrisie van de politiek.’
In de Universiteitsbibliotheek (UB) was het druk, opvallend druk voor een zaterdag. In de computerzaal zaten studenten dicht opeengepakt met koptelefoons op naar beeldschermen te staren. Er werd collegestof-op-video geconsumeerd die door de veelgeroemde hoogleraar Paul C. met bevlogenheid werd opgelepeld. De vele wetbundels in de overbevolkte leeszalen bevestigden het vermoeden dat er tentamens in de Rechtswetenschap ophanden waren. Terwijl Karsten zich aan een tafel zette trilde zijn telefoon in zijn zak. Hij drukte de oproep weg en haalde zijn telefoon tevoorschijn. ‘1 oproep gemist - Juliaan (neef)’ las hij wederom in beeld. Hij verspreidde zijn boeken en aantekeningen over tafel, zodat ze duidelijk in het zicht lagen. Hij las een uurtje in Baudrillard’s ‘Simulacres et simulation’, voelde hoofdpijn opkomen en besloot dat het tijd was voor aspirine en koffie.
In de kantine haalde Karsten een zakje Autodrop uit de snoepautomaat. Hij trok het te wild open, waardoor de vloer bezaaid lag met Zacht Zoete Kevers. Karsten ging door zijn knieën. Verderop begon een dispuutsmeisje in een trui met een slang en een appel erop afgebeeld hem uit te lachen. Karsten keek omhoog. Hij zag een paar brede heupen en forse borsten die strak omspannen werden door een T-shirt met de tekst ‘Madonna: Confessions tour’. Zijn ogen ontmoetten die van de vrouw die bij het T-shirt hoorde. Een moment was er herkenning. De vrouw glimlachte geruststellend. Karsten wende zijn blik af. Er trok een rilling over zijn ruggengraat terwijl hij Dubbele Dubbeldekkers en Frisse Fruit Limo’s van de grond raapte.
Teruggekomen in de leeszaal klapte hij zijn Apple Macbook open en staarde lange tijd naar zijn scherm. ‘Scriptie Karsten Mozes. Over het failliet van de wetenschap en het weten: de overheersende economische rationaliteit van de (post)moderne academie’. Een idiote titel, besefte hij. Cultuurkritiek van de koude grond. Een beroerd geformuleerde aanklacht die nooit een publiek zal hebben. Zijn begeleider had hem terecht megalomanie verweten. Karsten vertrok moedeloos naar het toilet, alwaar hij aan de binnenkant van de deur kraste: Karsten Mozes was hier vaak (‘99-’07). Hij zag dat er naast zijn eigen mededeling iets stond geschreven: ‘Als je homo bent, kijk dan naar boven.’ Karsten keek omhoog. Op het plafond las hij: ‘Zie je wel’.
Om vijf voor vijf verliet Karsten de UB en liep via het Gerecht rechtstreeks naar de markt. Het begon intussen te schemeren. Het scheiden van de markt was in volle gang. Karsten ontweek de stapels lege fruitkratten die door pezige mannen met geweld in gereedstaande vrachtwagens werden geladen. Hij bestudeerde hun ingespannen gezichten, liep ze soms expres in de weg en liet zich vervolgens willoos uitschelden. De marktkooplui die hun kraam nog niet hadden afgebroken probeerden elkaar woest te overschreeuwen. ‘Echte zoete verse dadels uit Marokko, de allerlaatste kom dat zien dan, geen geld, geen geld’. ‘Ja ja dames en heren. Hier vind u de mooiste Hollandse tulpen, twee bossen halen één betalen’
Karsten bestelde twee haringen bij een viswijf met donkere beharing op haar bovenlip. Ze kaakte de haring, veegde snot van haar neus af aan één van haar blauwe handschoenen, en pakte de vis voor hem in. Hij liep door naar de bakkerskraam.
- ‘Heer, wat mag het zijn?’ vroeg een man met schort voor en vele groeven in zijn voorhoofd.
‘Vijf witte bolletjes alstublieft.’
- ‘Vijf voor één euro wordt dat en deze krijgt u er gratis bij, heer.’
De man gaf reikte Karsten met eeltige handen een jodenkoek aan, die hij in zijn zak stopte. Op weg naar huis passeerde hij een zigeuner die op zijn accordeon leunend een sjekkie rookte. Karsten gaf hem de jodenkoek, die hij verbaasd aanpakte en een fractie later woedend op straat smeet. ‘Sugi Pula, heb familie te eten geven, geef geld of niks, curule’ beet de zigeuner hem toe. Karsten versnelde zijn pas totdat hij thuis aankwam.
- ‘Gabri, Kleine, ik heb broodjes haring van de markt’, riep Karsten toen hij de deur binnenstapte. Hij kon horen dat ze nog steeds naar de Sweet Sixteen marathon keken.
‘Fucking mooi Kars’, riep Kleine, ‘We gaan ons vanavond omleggen in café de Hemel. Kom je ook?’
Aarzelend stemde Karsten toe. Hij was eigenlijk van plan om ‘Una giornata particolare’ op te zetten, maar besloot dat op zaterdagavond alleen een film kijken gelijk stond aan capitulatie.
‘Kut, kanker, tering, tyfus.’ Karsten greep naar zijn hoofd en keek omhoog. Boven de lage deur van het toilet in de Hemel hing een bordje met de tekst: ‘een kopstoot van de bar doet minder pijn’. In de spiegel zag Karsten dat er een flinke snee op zijn voorhoofd zat. Hij probeerde het bloeden te stelpen met wc-papier. Dat lukte matig omdat de alcohol zijn bloed had verdund. De alcohol, dacht Karsten, die een starnakel Gerard Reve ertoe had bewogen de Leidse hoogleraar Ton Anbeek ’s ochtends te bellen met de vraag of hij echt niet meer weg te denken was uit de Nederlandse literatuur. Toen het bloeden was gestopt liep Karsten terug de kroeg in.
- ‘Mooie oorlogswond Kars’ zei Gabri, en hij wees naar een zwaar opgemaakt meisje met grote gouden ringen in haar oren. ‘De Leidse stukadoor is net binnengekomen. Die pijpt je voor twee baco’s heb ik gehoord. Ga er even op af dan Kars. Je kunt wel een verzetje gebruiken met die scriptie van je.’
De Hemel was een lawaaierige corpskroeg waar ieder meisje na haar tweede bezoek een bijnaam kreeg, en zo kwam het dat Karsten de Leidse stukadoor aansprak, van wie hij geen flauw idee had wat haar echte naam was.
- ‘Vind je ook niet dat het hier eigenlijk één grote dierentuin is?’ vroeg Karsten aan de stukadoor, die hem met grote ogen vragend aankeek. Haar gezicht gaf een haast oranje gloed door de grote hoeveelheid zelfbruiner die ze erop had gesmeerd. ‘Dit is toch gewoon een paringsritueel...’ Karsten aarzelde even, keek nog eens diep in haar decolleté, en vervolgde toen, ‘…en ik ben een bronstige bonoboaap.’ De stukadoor keerde hem de rug toe, terwijl hij voor de derde keer die dag zijn telefoon voelde trillen.
Karsten liep naar buiten, en keek steunend op de brugleuning van de Sint Jansbrug op zijn scherm: ‘Ingekomen bericht – Juliaan (neef): Kars, Levi lag in het ziekenhuis, auto-ongeluk vannacht, bezopen gereden.hij wilde je nog spreken, probeerde je te bellen vandaag.nu te laat, hij is zojuist overleden’.
Karsten Mozes liep naar de dichtstbijzijnde winkelruit en sloeg er met volle kracht tegenaan. De ruit gaf niet mee, het vel op zijn knokkels barstte open. Hij jankte van de pijn maar sloeg nogmaals tegen de ruit. Het bloed van zijn handen besmeurde een sticker met de mededeling dat er de volgende dag vanwege Pasen geen koopzondag zou zijn.
- ‘Godverdomme, Levi’, schreeuwde Karsten, ‘waarom bezopen in een auto stappen, waarom nou in godsnaam?’ ‘Levi, lieve Levi, ik heb je verraden. Wat wilde je me nog vertellen?’
Hij liep terug naar de brugleuning en keek naar het zwarte water van de Oude Rijn. ‘Als ik er nu inspring’, dacht Karsten, ‘is er niemand die het ziet. Nooit meer de arrogantie van verdwalen in mijn eigen hersenspinsels. Nooit meer onzinnig gepieker over de authenticiteit van emoties. Nooit meer nutteloos, middelmatig en tevergeefs bezig zijn. Ik kan mijn eigen lot bepalen. Ik ben dronken, het koude water zal zorgen dat ik snel bewusteloos ben. Ik zal nooit meer bovenkomen. Dat zal mijn straf zijn voor hoogverraad.’
‘Karsten?’ ‘Karsten Mozes?’ Een vragende stem deed Karsten uit zijn innerlijke monoloog opschrikken. Hij draaide zich om en zag in het maanlicht een vrouwelijke gestalte staan. Hij herkende haar houding en postuur. Met de mouw van zijn trui veegde hij de tranen uit zijn ogen, die hem een scherp zicht belemmerden. Daar stond Hilja. Hilja Nemes.
- ‘Karsten, wat doe je hier in godsnaam?’ vroeg ze.
‘Jezus, dat kan ik beter aan jou vragen Hilja. Ik dacht dat je nog steeds in Italië de ouderdom van de lijkwade van Turijn aan het bepalen was. Daar had je professor toch een nieuwe radiometrische dateringsmethode voor bedacht?’
- ‘Nee, ik ben terug zoals je ziet. Maar ik zie dat jij nog steeds zwelgt in door alcohol ingegeven zelfmedelijden. Je bent niet de eerste Karsten, wel de minste. Jouw zelfbeklag was ook Goethe en Herman Hesse niet vreemd. Zelfs Herman Brusselmans kan nog beter jammeren dan jij. Probeer je jezelf nu nog steeds te gedragen als Werther of Harry Haller? Dat zijn fictieve personages Kars.’
‘Hilja, houd je bek. Dit keer is het anders, dit keer is het echt. Mijn neef Levi is overleden en ik heb hem verraden.’
- ‘Dat is tragisch Karsten. Gecondoleerd met het verlies.’
Even verderop ging een raam open. Een vrouw stak haar hoofd naar buiten en gilde hysterisch ‘of het niet wat zachter kon’.
‘Kom Karsten. Laten we hier weggaan’ zei Hilja. Samen liepen ze via de Visbrug over de Nieuwe Rijn.
- ‘Hilja, luister. Mijn emoties zijn oprecht, dat zie je toch. En als dat een illusie is, dan wil ik leven in die illusie. Ik houd liever mezelf voor gek, dan de totale entzaüberung te laten toeslaan. Dat zou nihilisme zijn Hilja, nihilisme.’
‘Je overdrijft weer eens schromelijk. En waarom gebruik je Duitse begrippen. Reiken Nederlandse woorden niet ver genoeg om je mee uit te drukken?’
- ‘Ik heb die woorden nodig om mijn woede te verwoorden.’
‘Jouw woede, Kars, is verkeerd begrepen imagebuilding. Je cynisme is bedoeld om mensen op afstand te houden. Dat maakt het makkelijker om oordelen te vellen. Nu zal ik jou veroordelen. Je maakt jezelf onmogelijk. Aan je standaarden kan niemand voldoen, ook jijzelf niet. Jij bent een hypocriete egoïst. Je bent kritisch wanneer het je uitkomt, maar het ontbreekt je aan echte zelfreflectie. Je bent tevergeefs op zoek naar een authentieke levenshouding, maar vergeet intussen iedereen om je heen. Je hebt geen gevoel meer voor het alledaagse.’
- ‘Maar ik moet toch ergens sporen achterlaten. Het mag niet onopgemerkt blijven, Hilja.’
‘Waarom zou je je verzetten? Accepteer dat je een voetnoot bent in de geschiedenis. Je foto’s zullen vergelen, je teksten verpulveren. Er zal niets van je overblijven dan een stoffige rommelzolder.’
Op de hoek van de Hooigracht en de Nieuwe Rijn hielden ze stil. Een zwerver liep voorbij. Als Hilja en Karsten goed hadden geluisterd hadden ze hem kunnen horen prevelen ‘…vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren…’. Karsten keek Hilja aan. Even vulde stilte de nacht.
- ‘Ik moet hier naar rechts Hilja Nemes’
‘Laten we naar links gaan Karsten Mozes’
Kasten volgde Hilja naar Hooigracht nummer twaalf. Binnengekomen gebaarde ze hem mee te komen naar de keuken. Daar hing een reproductie van Friedrich’s Der Wanderer über dem Nebelmeer. Karsten keek er gefascineerd naar terwijl Hilja de warme kraan boven de gootsteen opendraaide.
- ‘Karsten, kom hier’.
Hilja waste het geronnen bloed van Karsten’s handen. Toen ze klaar was kuste ze hem. Ze pakte zijn handen die nog nat waren en leidde hem naar haar kamer. Karsten trok zijn schoenen uit en keek naar Hilja terwijl zij hetzelfde deed. Op de achtergrond zong Spinvis over Herfst en Nieuwegein.
- ‘Hilja’, sprak Kars gelaten, terwijl hij haar T-shirt over haar hoofd uittrok. ‘Hilja, is dit vals sentiment?’
Hilja legde een vinger op zijn mond.
- ‘Karsten, nu even mond dicht’.
En Karsten Mozes zweeg.
Precies negen maanden later zou een zoon worden geboren, krijsend en badend in Hilja’s bloed. Hij zou de naam Atlas krijgen, omdat Karsten wist dat hij de wereld op zijn schouders zou moeten torsen.
Inzending Mare kerstverhalenwedstrijd 2008. Het juryrapport is hier te lezen.
Negentienhonderd en vijfenzeventig jaar nadat een anonieme Romeinse soldaat in Golgotha de laatste spijker door de hand van de Verlosser sloeg werd Karsten Mozes hardhandig gewekt door zijn huisgenoten. Plaats van het voorval: de zolderkamer van studentenhuis ‘Sine Labore Nihil’ aan de Hogewoerd 63 te Leiden. Gelegen tussen zijn lattenbodem en matras sliep Karsten nog twee uur door. Hij droomde onderwijl dat hij als wolf rondzwierf door een uitgestorven faculteit om uiteindelijk tussen de benen van zijn scriptiebegeleider te gaan liggen en haar ontblootte enkels te likken. Ze was een voluptueuze Griekse vrouw met een neus als die van een beeld van het Paaseiland. Opeens beet hij hard in haar been en versplinterde bot. Ze krijste en Karsten ontwaakte opnieuw. De matras duwde hij van zich af. Starend naar zijn beschimmelde plafond viel een druppel water rechtstreeks in zijn open mond. Vloekend schraapte hij zijn keel en hoestte een rochel op, die hij in een leeg pakje Marlboro uitspuugde. Zijn telefoon die naast zijn bed lag trilde kort: ‘1 oproep gemist - Juliaan (neef)’. Het zou een bewogen dag worden.
‘You’ve got mail’ kraakte een blikkerige vrouwenstem, waarop Karsten naar zijn computer strompelde. Een pop-up verscheen op het scherm: ‘uitleen universiteitsbibliotheek - rappel uitlening - 23/3/07 - Montaigne: Essais’. Hij klikte de mail weg en staarde naar een foto van een hoogblonde vrouw in een cheerleader kostuum die ontegenzeglijk geen onderbroek droeg. Zo’n outfit zou het goed doen op themafeesten meende Karsten, terwijl hij zijn mannendeel heftig tot een hoogtepunt beroerde en op dat moment pas bemerkte dat zijn boxershort zeiknat was.
Onder de douche waste hij sperma, urine en zonden van zich af. Hij poetste zijn tanden zonder tandpasta en puntte met een roestige schaar zijn schaamhaar bij. ‘Vanitas, vriend, ordinaire vanitas’ zei hij hardop terwijl hij de onderkant van zijn scrotum inspecteerde met behulp van het scheerspiegeltje. Dat was nog geen makkelijke opgave, want het spiegeltje hing op ooghoogte. Karsten spande zijn spieren, nam de pose van Michelangelo’s David aan, en constateerde in het scheerspiegeltje een treffende gelijkenis. Hij droogde zich af met zijn Suske & Wiske handdoek en kleedde zich aan.
Beneden lagen zijn huisgenoten Gabriel (‘Gabri’) en Caspar (‘Kleine’) op de bank naar de Sweet Sixteen marathon op MTV te kijken.
- ‘Bedankt voor het keren vanochtend, jongens’, bromde Karsten.
‘Altijd welkom Kars. Had je gezopen? We zagen dat je weer eens in je bed had gepist.’
- ‘Even de trekker overgehaald. Kan anders niet meer slapen tegenwoordig.’
‘Die chicks van Rap 30 kwamen hier zojuist langs. Je hebt ze vannacht weer gebeld, maar ze begrepen je moeilijke verhalen niet. Ze stellen het op prijs als je het niet meer wil doen.’
- ‘Tuurlijk Gabri, no problemo.’
Op televisie gilde een meisje tegen haar vader dat ze geen BMW maar een Ferrari wilde voor haar zestiende verjaardag.
Karsten liep de deur uit langs een campagneposter van oud-huisgenoot Alex P.; ooit veilingmeester, nu politicus. Hij tekende een dun snorretje op P.’s bovenlip en siste tegen de poster: ‘Bravo vriend, van de oprechte schoonheid van de kunsten naar de spuuglelijke hypocrisie van de politiek.’
In de Universiteitsbibliotheek (UB) was het druk, opvallend druk voor een zaterdag. In de computerzaal zaten studenten dicht opeengepakt met koptelefoons op naar beeldschermen te staren. Er werd collegestof-op-video geconsumeerd die door de veelgeroemde hoogleraar Paul C. met bevlogenheid werd opgelepeld. De vele wetbundels in de overbevolkte leeszalen bevestigden het vermoeden dat er tentamens in de Rechtswetenschap ophanden waren. Terwijl Karsten zich aan een tafel zette trilde zijn telefoon in zijn zak. Hij drukte de oproep weg en haalde zijn telefoon tevoorschijn. ‘1 oproep gemist - Juliaan (neef)’ las hij wederom in beeld. Hij verspreidde zijn boeken en aantekeningen over tafel, zodat ze duidelijk in het zicht lagen. Hij las een uurtje in Baudrillard’s ‘Simulacres et simulation’, voelde hoofdpijn opkomen en besloot dat het tijd was voor aspirine en koffie.
In de kantine haalde Karsten een zakje Autodrop uit de snoepautomaat. Hij trok het te wild open, waardoor de vloer bezaaid lag met Zacht Zoete Kevers. Karsten ging door zijn knieën. Verderop begon een dispuutsmeisje in een trui met een slang en een appel erop afgebeeld hem uit te lachen. Karsten keek omhoog. Hij zag een paar brede heupen en forse borsten die strak omspannen werden door een T-shirt met de tekst ‘Madonna: Confessions tour’. Zijn ogen ontmoetten die van de vrouw die bij het T-shirt hoorde. Een moment was er herkenning. De vrouw glimlachte geruststellend. Karsten wende zijn blik af. Er trok een rilling over zijn ruggengraat terwijl hij Dubbele Dubbeldekkers en Frisse Fruit Limo’s van de grond raapte.
Teruggekomen in de leeszaal klapte hij zijn Apple Macbook open en staarde lange tijd naar zijn scherm. ‘Scriptie Karsten Mozes. Over het failliet van de wetenschap en het weten: de overheersende economische rationaliteit van de (post)moderne academie’. Een idiote titel, besefte hij. Cultuurkritiek van de koude grond. Een beroerd geformuleerde aanklacht die nooit een publiek zal hebben. Zijn begeleider had hem terecht megalomanie verweten. Karsten vertrok moedeloos naar het toilet, alwaar hij aan de binnenkant van de deur kraste: Karsten Mozes was hier vaak (‘99-’07). Hij zag dat er naast zijn eigen mededeling iets stond geschreven: ‘Als je homo bent, kijk dan naar boven.’ Karsten keek omhoog. Op het plafond las hij: ‘Zie je wel’.
Om vijf voor vijf verliet Karsten de UB en liep via het Gerecht rechtstreeks naar de markt. Het begon intussen te schemeren. Het scheiden van de markt was in volle gang. Karsten ontweek de stapels lege fruitkratten die door pezige mannen met geweld in gereedstaande vrachtwagens werden geladen. Hij bestudeerde hun ingespannen gezichten, liep ze soms expres in de weg en liet zich vervolgens willoos uitschelden. De marktkooplui die hun kraam nog niet hadden afgebroken probeerden elkaar woest te overschreeuwen. ‘Echte zoete verse dadels uit Marokko, de allerlaatste kom dat zien dan, geen geld, geen geld’. ‘Ja ja dames en heren. Hier vind u de mooiste Hollandse tulpen, twee bossen halen één betalen’
Karsten bestelde twee haringen bij een viswijf met donkere beharing op haar bovenlip. Ze kaakte de haring, veegde snot van haar neus af aan één van haar blauwe handschoenen, en pakte de vis voor hem in. Hij liep door naar de bakkerskraam.
- ‘Heer, wat mag het zijn?’ vroeg een man met schort voor en vele groeven in zijn voorhoofd.
‘Vijf witte bolletjes alstublieft.’
- ‘Vijf voor één euro wordt dat en deze krijgt u er gratis bij, heer.’
De man gaf reikte Karsten met eeltige handen een jodenkoek aan, die hij in zijn zak stopte. Op weg naar huis passeerde hij een zigeuner die op zijn accordeon leunend een sjekkie rookte. Karsten gaf hem de jodenkoek, die hij verbaasd aanpakte en een fractie later woedend op straat smeet. ‘Sugi Pula, heb familie te eten geven, geef geld of niks, curule’ beet de zigeuner hem toe. Karsten versnelde zijn pas totdat hij thuis aankwam.
- ‘Gabri, Kleine, ik heb broodjes haring van de markt’, riep Karsten toen hij de deur binnenstapte. Hij kon horen dat ze nog steeds naar de Sweet Sixteen marathon keken.
‘Fucking mooi Kars’, riep Kleine, ‘We gaan ons vanavond omleggen in café de Hemel. Kom je ook?’
Aarzelend stemde Karsten toe. Hij was eigenlijk van plan om ‘Una giornata particolare’ op te zetten, maar besloot dat op zaterdagavond alleen een film kijken gelijk stond aan capitulatie.
‘Kut, kanker, tering, tyfus.’ Karsten greep naar zijn hoofd en keek omhoog. Boven de lage deur van het toilet in de Hemel hing een bordje met de tekst: ‘een kopstoot van de bar doet minder pijn’. In de spiegel zag Karsten dat er een flinke snee op zijn voorhoofd zat. Hij probeerde het bloeden te stelpen met wc-papier. Dat lukte matig omdat de alcohol zijn bloed had verdund. De alcohol, dacht Karsten, die een starnakel Gerard Reve ertoe had bewogen de Leidse hoogleraar Ton Anbeek ’s ochtends te bellen met de vraag of hij echt niet meer weg te denken was uit de Nederlandse literatuur. Toen het bloeden was gestopt liep Karsten terug de kroeg in.
- ‘Mooie oorlogswond Kars’ zei Gabri, en hij wees naar een zwaar opgemaakt meisje met grote gouden ringen in haar oren. ‘De Leidse stukadoor is net binnengekomen. Die pijpt je voor twee baco’s heb ik gehoord. Ga er even op af dan Kars. Je kunt wel een verzetje gebruiken met die scriptie van je.’
De Hemel was een lawaaierige corpskroeg waar ieder meisje na haar tweede bezoek een bijnaam kreeg, en zo kwam het dat Karsten de Leidse stukadoor aansprak, van wie hij geen flauw idee had wat haar echte naam was.
- ‘Vind je ook niet dat het hier eigenlijk één grote dierentuin is?’ vroeg Karsten aan de stukadoor, die hem met grote ogen vragend aankeek. Haar gezicht gaf een haast oranje gloed door de grote hoeveelheid zelfbruiner die ze erop had gesmeerd. ‘Dit is toch gewoon een paringsritueel...’ Karsten aarzelde even, keek nog eens diep in haar decolleté, en vervolgde toen, ‘…en ik ben een bronstige bonoboaap.’ De stukadoor keerde hem de rug toe, terwijl hij voor de derde keer die dag zijn telefoon voelde trillen.
Karsten liep naar buiten, en keek steunend op de brugleuning van de Sint Jansbrug op zijn scherm: ‘Ingekomen bericht – Juliaan (neef): Kars, Levi lag in het ziekenhuis, auto-ongeluk vannacht, bezopen gereden.hij wilde je nog spreken, probeerde je te bellen vandaag.nu te laat, hij is zojuist overleden’.
Karsten Mozes liep naar de dichtstbijzijnde winkelruit en sloeg er met volle kracht tegenaan. De ruit gaf niet mee, het vel op zijn knokkels barstte open. Hij jankte van de pijn maar sloeg nogmaals tegen de ruit. Het bloed van zijn handen besmeurde een sticker met de mededeling dat er de volgende dag vanwege Pasen geen koopzondag zou zijn.
- ‘Godverdomme, Levi’, schreeuwde Karsten, ‘waarom bezopen in een auto stappen, waarom nou in godsnaam?’ ‘Levi, lieve Levi, ik heb je verraden. Wat wilde je me nog vertellen?’
Hij liep terug naar de brugleuning en keek naar het zwarte water van de Oude Rijn. ‘Als ik er nu inspring’, dacht Karsten, ‘is er niemand die het ziet. Nooit meer de arrogantie van verdwalen in mijn eigen hersenspinsels. Nooit meer onzinnig gepieker over de authenticiteit van emoties. Nooit meer nutteloos, middelmatig en tevergeefs bezig zijn. Ik kan mijn eigen lot bepalen. Ik ben dronken, het koude water zal zorgen dat ik snel bewusteloos ben. Ik zal nooit meer bovenkomen. Dat zal mijn straf zijn voor hoogverraad.’
‘Karsten?’ ‘Karsten Mozes?’ Een vragende stem deed Karsten uit zijn innerlijke monoloog opschrikken. Hij draaide zich om en zag in het maanlicht een vrouwelijke gestalte staan. Hij herkende haar houding en postuur. Met de mouw van zijn trui veegde hij de tranen uit zijn ogen, die hem een scherp zicht belemmerden. Daar stond Hilja. Hilja Nemes.
- ‘Karsten, wat doe je hier in godsnaam?’ vroeg ze.
‘Jezus, dat kan ik beter aan jou vragen Hilja. Ik dacht dat je nog steeds in Italië de ouderdom van de lijkwade van Turijn aan het bepalen was. Daar had je professor toch een nieuwe radiometrische dateringsmethode voor bedacht?’
- ‘Nee, ik ben terug zoals je ziet. Maar ik zie dat jij nog steeds zwelgt in door alcohol ingegeven zelfmedelijden. Je bent niet de eerste Karsten, wel de minste. Jouw zelfbeklag was ook Goethe en Herman Hesse niet vreemd. Zelfs Herman Brusselmans kan nog beter jammeren dan jij. Probeer je jezelf nu nog steeds te gedragen als Werther of Harry Haller? Dat zijn fictieve personages Kars.’
‘Hilja, houd je bek. Dit keer is het anders, dit keer is het echt. Mijn neef Levi is overleden en ik heb hem verraden.’
- ‘Dat is tragisch Karsten. Gecondoleerd met het verlies.’
Even verderop ging een raam open. Een vrouw stak haar hoofd naar buiten en gilde hysterisch ‘of het niet wat zachter kon’.
‘Kom Karsten. Laten we hier weggaan’ zei Hilja. Samen liepen ze via de Visbrug over de Nieuwe Rijn.
- ‘Hilja, luister. Mijn emoties zijn oprecht, dat zie je toch. En als dat een illusie is, dan wil ik leven in die illusie. Ik houd liever mezelf voor gek, dan de totale entzaüberung te laten toeslaan. Dat zou nihilisme zijn Hilja, nihilisme.’
‘Je overdrijft weer eens schromelijk. En waarom gebruik je Duitse begrippen. Reiken Nederlandse woorden niet ver genoeg om je mee uit te drukken?’
- ‘Ik heb die woorden nodig om mijn woede te verwoorden.’
‘Jouw woede, Kars, is verkeerd begrepen imagebuilding. Je cynisme is bedoeld om mensen op afstand te houden. Dat maakt het makkelijker om oordelen te vellen. Nu zal ik jou veroordelen. Je maakt jezelf onmogelijk. Aan je standaarden kan niemand voldoen, ook jijzelf niet. Jij bent een hypocriete egoïst. Je bent kritisch wanneer het je uitkomt, maar het ontbreekt je aan echte zelfreflectie. Je bent tevergeefs op zoek naar een authentieke levenshouding, maar vergeet intussen iedereen om je heen. Je hebt geen gevoel meer voor het alledaagse.’
- ‘Maar ik moet toch ergens sporen achterlaten. Het mag niet onopgemerkt blijven, Hilja.’
‘Waarom zou je je verzetten? Accepteer dat je een voetnoot bent in de geschiedenis. Je foto’s zullen vergelen, je teksten verpulveren. Er zal niets van je overblijven dan een stoffige rommelzolder.’
Op de hoek van de Hooigracht en de Nieuwe Rijn hielden ze stil. Een zwerver liep voorbij. Als Hilja en Karsten goed hadden geluisterd hadden ze hem kunnen horen prevelen ‘…vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren…’. Karsten keek Hilja aan. Even vulde stilte de nacht.
- ‘Ik moet hier naar rechts Hilja Nemes’
‘Laten we naar links gaan Karsten Mozes’
Kasten volgde Hilja naar Hooigracht nummer twaalf. Binnengekomen gebaarde ze hem mee te komen naar de keuken. Daar hing een reproductie van Friedrich’s Der Wanderer über dem Nebelmeer. Karsten keek er gefascineerd naar terwijl Hilja de warme kraan boven de gootsteen opendraaide.
- ‘Karsten, kom hier’.
Hilja waste het geronnen bloed van Karsten’s handen. Toen ze klaar was kuste ze hem. Ze pakte zijn handen die nog nat waren en leidde hem naar haar kamer. Karsten trok zijn schoenen uit en keek naar Hilja terwijl zij hetzelfde deed. Op de achtergrond zong Spinvis over Herfst en Nieuwegein.
- ‘Hilja’, sprak Kars gelaten, terwijl hij haar T-shirt over haar hoofd uittrok. ‘Hilja, is dit vals sentiment?’
Hilja legde een vinger op zijn mond.
- ‘Karsten, nu even mond dicht’.
En Karsten Mozes zweeg.
Precies negen maanden later zou een zoon worden geboren, krijsend en badend in Hilja’s bloed. Hij zou de naam Atlas krijgen, omdat Karsten wist dat hij de wereld op zijn schouders zou moeten torsen.
Labels:
Korte Verhalen
donderdag 25 december 2008
Juliaan’s rationele belevingswereld
Deel een van het Leids drieluik ‘De montere jongens Mozes’
Inzending Mare Kerstverhalenwedstrijd 2007. Het juryrapport is hier te lezen.
'Paspoort alstublieft.’ Juliaan keek verdwaasd op en staarde recht in de blauwe ogen van de KLM stewardess. Incheckbalie 2D, rij 21. Zijn ogen dwaalde af naar haar borst. ‘Marieke’ las hij op haar naambordje. Ze kon niet ouder zijn dan een jaar of 23. Ze was zwaar opgemaakt, maar ontegenzeglijk knap. Hij kreeg van Ruben een por in zijn rug.
- ‘Sorry mevrouw’, zei Juliaan. ‘Sorry knorrie’, dat zou zijn broertje Levi hebben gezegd, ‘je moet zeggen, mijn excuses mijnheer.’
Zijn hand ging naar de zak aan de zijkant van zijn afritsbroek. Geen paspoort. Haastig voelde hij in zijn andere zak. Weer niks! ‘Je bent toch verdomme niet je paspoort vergeten hè?’ vroeg Ruben geërgerd. In een helder moment betastte Juliaan zijn kruis. Daar voelde hij de contouren van zijn paspoort. Hij gespte zijn riem los, ritste zijn gulp open en haalde zijn zorgvuldig weggestopte moneybelt tevoorschijn. Hij wurmde zijn paspoort eruit. Met een zucht nam Marieke hem in ontvangst.
Op acht kilometer hoogte en met nog 8 uur en 34 minuten te vliegen naar Bangkok haalde Juliaan zijn aantekeningen voor het vak Logica 2 tevoorschijn. Op de dag voor Kerst moest hij er nog een tentamen over maken. Ruben zat comfortabel naast hem aan het gangpad. Hij las Bill Bryson’s The life and times of the Thunderbolt Kid. Volgens Juliaan’s aantekeningen maakte de logicus Gottlieb Frege onderscheid tussen Sinn en Bedeutung. Op het videoscherm stond Kevin Costner op het punt aan Jodi Foster uit te leggen dat hij paranormale gaven had.
Juliaan was twee maanden daarvoor naar Egypte geweest met zijn ouders, zes bejaarde vrouwen uit Den Haag en een reisgids, die hij van lichte pedofiele neigingen verdacht. Voor de zekerheid hield Juliaan ’s nachts zijn kamerdeur op slot. Het was hem aardig gelukt zijn ouders te ontlopen, maar aan de voet van de Sfinx in Giza probeerde zijn moeder een gesprek te beginnen.
- ‘Wat een bouwwerk, Juliaan’
‘Schitterend mama’
- ‘Jammer dat Napoleon zijn neus eraf heeft geschoten’. Zijn moeder wist sinds kort hoe Wikipedia werkte en had blijkbaar naar informatie over de Sfinx gezocht.
‘Dat was Napoleon niet. Die neus is er gewoon afgesleten door de zandstormen’.
- ‘Nou ja, het blijft schitterend. Zie je wel dat het met zijn drieën ook leuk kan zijn.’
‘Mama, alsjeblieft.’
Zijn vader stond naar zijn nieuwe digitale camera te staren. ‘Juliaan, hoe stel ik scherp met dit ding?’, vroeg hij. Een windvlaag waaide zand in hun ogen. Hij meende bij zijn moeder een traan te zien. Zijn vader vloekte en probeerde het zand uit zijn camera te blazen.
Vier weken reizen door Thailand, Vietnam en Cambodja. Toen Ruben het had voorgesteld leek het een goed plan: De wereld zien, vreemde culturen ontdekken, nieuwe mensen ontmoeten. Ver weg van zijn studentenstad. Juliaan volgde drie studies tegelijk en had volgens eigen berekening in vijf jaar tijd 3800 uur in de Universiteitsbibliotheek gezeten, waarvan zeker 150 op de WC. Hij had vier vaste studieplekken en per studieplek 75 studiepunten gehaald. Hij wist van heel veel dingen vrijwel alles.
Terwijl Juliaan in de Doha travel store naar de muur van backpacks keek werd hij radeloos. Hij stond op het punt zich om te draaien en weg te lopen, toen hij achter zich iemand hoorde. ‘Kan ik je helpen?’ Een dikkig meisje met dreadlocks en een tuinbroek aan keek vragend naar Juliaan.
- ‘Ik ga naar Azië en heb een rugzak nodig. Liefst niet te duur.’
‘Je moet bij rugzakken vooral letten op het draagcomfort. Deze zit lekker denk ik.’ Het meisje hees een North Face rugzak op zijn schouders.
- ‘Ja, die zit wel erg lekker.’
‘Dat komt door de unieke draagconstructie. Al het gewicht hangt daardoor op je heupen.’
Juliaan mompelde instemmend.
‘Hij kost iets meer, maar als je veel gaat reizen betaalt hij zich vanzelf terug’
Drie kwartier later stond Juliaan buiten met een Lowe Alpine rugzak, Teva sandalen, een Fjäll Raven afritsbroek en een MedicAid EHBO kit.
Bangkok bleek na aankomst niet veel anders te zijn dan Salou, waar hij direct na zijn eindexamen was geweest. Het was stoffig, warm en afgeladen met backpackers onder invloed van drank en drugs. Ze hadden lang haar en soms een baard. Ruben stond erop te verblijven in Khao San Road. Backpackers’ heaven volgens de Lonely Planet – die door Juliaan al tot not so Lonely Planet was gedoopt. Moe van de reis vielen Ruben en Juliaan in slaap op een kamer waar volgens de receptioniste van het hostel Leonardo DiCaprio nog had verbleven voor de opnames van The Beach.
Juliaan droomde dat zijn broertje door wachters achterna werd gezeten. Machteloos moest hij toezien hoe ze hem neerknuppelden. Hij omhelsde zijn broertje en liet tranen op zijn gehavende gezicht. Badend in het zweet werd hij wakker.
Laat op de avond aten ze een slappe hamburger in een Ierse Pub. Ze zagen hoe een groep Australiërs op straat hun volkslied aanhief. Oude Thaise vrouwtjes zetten de mannen kleurrijke hoedjes op het hoofd. De Australiërs lachten en stopten geld in hun gerimpelde handen. Op grote beeldschermen in de Pub scoorde Irak tegen Australië de winnende treffer in de AsiaCup.
Net voor vertrek had Juliaan telefonisch aan Anne – vereniging: Sextus, dispuut: Sisi, slogan: wij zijn Sloeries – laten weten dat hun kortstondige relatie wat hem betreft over was. Hij had zich gestoord aan haar ongeïnteresseerdheid. Vijftien films en vierentwintig boeken had hij in totaal ter sprake gebracht, ze had er geen enkele van gezien of gelezen. Pijpen kon ze overigens wel goed, dat had ze uit de Heleen geleerd.
Na drie dagen Bangkok vlogen Ruben en Juliaan naar Hanoi. Ooit had de stad betekenis gehad als centrum van communistisch Noord-Vietnam. Ruben las De Vliegeraar in het vliegtuig.
- ‘Juliaan, wat vond jij ervan?’ vroeg Ruben en keek op van zijn boek.
‘Kitsch’
- ‘Ik vind het prachtig. Moet je voorstellen, dat zo’n Afghaanse jongen dat allemaal meemaakt en zich er toch doorheen slaat.’
‘Veel mensen houden van kitsch’. Met die opmerking beschouwde Juliaan de conversatie als beëindigd. Met tegenzin sloeg hij De ondraaglijke lichtheid van het bestaan open. Nog 245 pagina’s te gaan.
Bij de bagageband in Hanoi ontdekte Juliaan het label op zijn rugzak: Made in Vietnam. Hij realiseerde zich dat hij binnen een week een rugzak voor 200 Euro had gekocht en die daarna 12.000 kilometer terug had gevlogen naar het productieland, waar hij voor een schijntje was gemaakt. Toen hij over deze ontdekking aan Ruben vertelde, wist die te melden ‘dat je de economie nu eenmaal draaiende moest houden’.
Na een dag rondlopen door Hanoi gooide Juliaan zijn Teva sandalen weg. Ze knelden en bovendien liepen alle backpackers op slippers. Ruben werd bij Ho Chi Minh’s mausoleum met een wisseltruc opgelicht toen hij een communistische vlag wilde kopen.
- ‘Klote Vietnamezen’ schreeuwde Ruben, terwijl hij woedend wegliep.
‘Toeristenbelasting, Ruben. Zo zou Marx het gewild hebben’
- Ruben keek hem vuil aan. ‘Laten we Bia Hoi gaan drinken’.
Bia Hoi bleek Hanoi’s grootste toeristische attractie. Vanaf negen uur ’s avonds kwamen alle toeristen naar dezelfde kroegen om zich voor tien cent per glas vol te laten lopen met het tapbier zonder conserveermiddelen. Ruben en Juliaan gingen met een paar Engelsen uit hun hostel mee naar de Blue Gecko Bar. Om half vijf ’s ochtends keken ze live naar Argentinië - Brazilië om de Copa Americá. Juliaan had zich al een week niet geschoren en begon op Chriet Titulaer te lijken. ‘Goodbye friends. Neuken in de keuken.’ riep de barman hen na bij het verlaten van de kroeg. Terwijl hij de barman hoorde giechelen om zijn eigen grap stootte Juliaan tegen iets zachts aan. Hij keek naar beneden en zag dat er een jongetje voor de deur lag te slapen. Achter zich hoorde hij de barman roepen: ‘No problem, warm weather all year! Neuken in de keu..’ De dichtvallende deur verhinderde dat hij zijn zin kon afmaken.
Ze lieten Hanoi achter zich en reisden met de bus richting het zuiden. In Hoi An zagen ze Die Hard 4 in de bioscoop, in Nha Trang Transformers, en in Saigon The Bourne Ultimatum. De meeste Vietnamezen kwamen halverwege de film luid pratend binnenlopen. Als ze zagen hoe lang hij was, wilden veel meisjes met Ruben op de foto.
- ‘Ik moet er eigenlijk gewoon een versieren, Juliaan. Die Aziatische chicks houden wel van een portie pik.’ Ruben en Juliaan zaten na The Bourne Ultimatum in een internetcafé. Buiten stortregende het.
‘Ja, natuurlijk. Moet je doen.’ antwoordde Juliaan terwijl hij zijn mailbox overzag:
RE: plannen voor 2e kerstdag? - 16/12/07
You want to be a real man? Enlarge your penis now! - 15/12/07
Lezing over spiritualiteit bij Heidegger, 23 december 18.30 uur - 14/12/07
RE: research proposal microfinance US and the Netherlands - 14/12/07
Hij klikte de onderste e-mail aan. Naast hem zat een klein meisje met grote ogen The legend of Zelda te spelen.
- ‘Luister je wel naar wat ik zeg?’
‘Ja, ik luister.’
Terwijl Ruben verder praatte las Juliaan de e-mail:
Hi Julian,
How‘s Indonesia?
Thanks for sending your proposal. I think you’ve got a very interesting research question. I completely agree with you that microfinance is a great instrument to alleviate poverty. I’ll be happy to work with you. We’ll write a fine article about it. I am sure we’ll get a lot of citations! Why don’t you come over to the center next spring? I can arrange some accommodation for you.
Have a nice Christmas when you come back from your holidays!
Dear regards,
John Deraux
Economics Center, University of Cincinatti
Juliaan klikte de mail weg. Geweldig. De wereld verbeteren, artikel voor artikel.
- ‘… dan laat ik haar alle hoeken van de kamer zien’.
‘Ik maak even een rondje, Ruben’ zei Juliaan en liep het internetcafé uit. De regenbui was opgehouden. Het maanlicht scheen op de natte straten. De stad vulde zich direct weer met de nooit aflatende stroom motorrijders. Hij zag twee monniken op een Yamaha voorbij komen, de poncho’s nog over hun oranje gewaad getrokken. Ze hadden geen helm op. Het ontroerde hem twee mannen zo onbeschermd op een motorfiets te zien zitten. Als je al eeuwenlang oorlog voert is motorrijden niet meer zo gevaarlijk.
Na een uur te hebben rondgelopen keerde Juliaan terug naar het hotel. Toen hij de deur wilde opendoen klonk er gekraak van het bed. Hij legde zijn oor tegen de deur en hoorde Ruben zwaar hijgen. Een hoog stemmetje kreunde: ‘Me so horny, western man so big’. ‘Life imitates art’, zei Juliaan zachtjes. Hij ging op een stoel in de gang zitten en viel in slaap. ’s Ochtends trof hij Ruben alleen op bed aan. De Vietnamese was verdwenen, net als de camera met vakantiefoto’s.
De onverharde weg van Saigon naar Pnom Penh maakte de busreis tot een hel. Twee keer stopten ze om een lekke band te vervangen. In de very Lonely Planet las Juliaan dat er jaarlijks 20.000 motorrijders in Vietnam verongelukken. Ruben las een illegale kopie van Harry Potter and the Deathly Hallows. In de Cambodjaanse hoofdstad was de ellende van het Rode Khmer regime nog tastbaar. Op straat klampten bedelaars met missende ledematen zich aan hen vast. ‘Niks geven’ zei Ruben, ‘dan denken ze dat bedelen loont en worden ze er afhankelijk van.’
In de voormalige Tuol Sleng gevangenis van de Rode Khmer bekeken ze de martelkamers die slechts zeven van de 18.000 gevangenen hadden overleefd. Onderweg naar de Killing Fields vroeg de chauffeur van hun tuk-tuk of ze met een M16 op een koe wilden schieten. Van de Killing Fields waren alleen nog met gras begroeide kuilen over. 400 Mensen per kuil, met knuppels en hamers omgelegd. De gids vertelde dat baby’s aan hun voeten tegen een boom werden doodgeslagen. ‘That’s why the local people call this the baby tree’. Hij wees naar een boom met bruine vlekken op de bast.
Op de avond voor hun terugreis kreeg Juliaan een diarreeaanval van de pat thai die ze op de Khao San Road aten. Ruben herkende de Engelsen uit Hanoi en ging ze vertellen over zijn Vietnamese verovering. In het hostel doorzocht Juliaan koortsachtig zijn EHBO Kit, maar vond geen diarreeremmers. De hele nacht en terugvlucht piste hij uit zijn reet, zoals zijn broertje het poëtisch kon omschrijven.
Op Schiphol gaf Juliaan Ruben een hand, wenste hem aangename Kerstdagen en pakte de trein van 17.26 uur. Vanaf het station fietste hij direct naar de Laagland supermarkt. Hij begroette een paar studiegenoten bij de afwasmiddelen, zijn buurmeisje bij de diepvriespizza’s en ontweek de blikken van de dispuutgenoten van Anne die een toetje stonden uit te zoeken.
Thuis at hij een Quattro Stagione steenovenpizza, dronk een fles Merlot leeg en zag op zijn computer hoe Catherine Deneuve in Indochine met ijzeren vuist de Franse kolonies in Azië probeerde te behouden. Behoorlijk aangeschoten en nog een beetje instabiel van zijn diarreeaanval liep hij na de film naar buiten. Door het park, langs de kerk, waar een jongen in een gele broek met zwarte letters tegenaan stond te pissen. De verlichte wijzers op de toren van het stadhuis wezen kwart voor twaalf aan. Bij café Publieke Zaken stootte hij de krant uit de handen van een man met lang haar die net naar buiten stapte. ‘Mijn excuses mijnheer’, mompelde hij en vervolgde zijn weg op de Smalstraat.
Melancholie overviel hem toen hij de zware houten deur van de sociëteit openduwde. Er hing een half afgescheurd papier op de deur: ‘Kersteindfeest –geen introducés’. Een walm van schraal bier, zweet en kots kwam hem tegemoet. Zwabberend liep hij de trappen op. Hij voelde hoe hij bij zijn arm werd beetgepakt.
- ‘Hé, jij bent hier geen lid. Wat kom je doen?’ blafte een forse vent met rossig haar in het gezicht van Juliaan. Zijn adem rook naar Apfelkorn.
Een jongen met een volle baard en wandelstok in zijn hand sloeg een arm om de rossige heen. Er sprak herkenning uit zijn blik.
‘Jezus man. Dat is Juliaan, de broer van Levi’
- ‘Verdraaid, je hebt gelijk’ zei de rossige.
‘Juliaan, je weet toch dat Levi hier niet meer is’ zei de jongen met de wandelstok. ‘Moet jij niet even je zinnen gaan verzetten. Op vakantie gaan of zoiets?’
Juliaan rukte zich los van de ijzeren greep van de rossige en liep naar buiten toe, de nacht in. Hij sleepte zichzelf richting station en haalde zijn telefoon uit zijn zak om te bellen. Nadat de telefoon een halve minuut over was gegaan nam zijn moeder met slaap in haar stem de telefoon op.
‘Met Henriette’
- ‘Mama, met Juliaan. Het gaat niet meer. Ik kom naar jullie toe.’
‘Goed jongen, ik kom je ophalen van het station. Bel je even als de trein bijna aankomt?’
Zijn moeder hing op. Juliaan passeerde een vrouw in een blauw mantelpak. Ze sloeg rechtsaf. Hij keek haar na en zag boven haar op de muur een gedicht staan. In het schemerlicht van een lantaarnpaal las hij:
¿Por qué estoy vivo?
¿Por qué estoy muerto?
Juliaan barstte in huilen uit. ‘Broertje, waarom heb je mij verlaten?’
Inzending Mare Kerstverhalenwedstrijd 2007. Het juryrapport is hier te lezen.
'Paspoort alstublieft.’ Juliaan keek verdwaasd op en staarde recht in de blauwe ogen van de KLM stewardess. Incheckbalie 2D, rij 21. Zijn ogen dwaalde af naar haar borst. ‘Marieke’ las hij op haar naambordje. Ze kon niet ouder zijn dan een jaar of 23. Ze was zwaar opgemaakt, maar ontegenzeglijk knap. Hij kreeg van Ruben een por in zijn rug.
- ‘Sorry mevrouw’, zei Juliaan. ‘Sorry knorrie’, dat zou zijn broertje Levi hebben gezegd, ‘je moet zeggen, mijn excuses mijnheer.’
Zijn hand ging naar de zak aan de zijkant van zijn afritsbroek. Geen paspoort. Haastig voelde hij in zijn andere zak. Weer niks! ‘Je bent toch verdomme niet je paspoort vergeten hè?’ vroeg Ruben geërgerd. In een helder moment betastte Juliaan zijn kruis. Daar voelde hij de contouren van zijn paspoort. Hij gespte zijn riem los, ritste zijn gulp open en haalde zijn zorgvuldig weggestopte moneybelt tevoorschijn. Hij wurmde zijn paspoort eruit. Met een zucht nam Marieke hem in ontvangst.
Op acht kilometer hoogte en met nog 8 uur en 34 minuten te vliegen naar Bangkok haalde Juliaan zijn aantekeningen voor het vak Logica 2 tevoorschijn. Op de dag voor Kerst moest hij er nog een tentamen over maken. Ruben zat comfortabel naast hem aan het gangpad. Hij las Bill Bryson’s The life and times of the Thunderbolt Kid. Volgens Juliaan’s aantekeningen maakte de logicus Gottlieb Frege onderscheid tussen Sinn en Bedeutung. Op het videoscherm stond Kevin Costner op het punt aan Jodi Foster uit te leggen dat hij paranormale gaven had.
Juliaan was twee maanden daarvoor naar Egypte geweest met zijn ouders, zes bejaarde vrouwen uit Den Haag en een reisgids, die hij van lichte pedofiele neigingen verdacht. Voor de zekerheid hield Juliaan ’s nachts zijn kamerdeur op slot. Het was hem aardig gelukt zijn ouders te ontlopen, maar aan de voet van de Sfinx in Giza probeerde zijn moeder een gesprek te beginnen.
- ‘Wat een bouwwerk, Juliaan’
‘Schitterend mama’
- ‘Jammer dat Napoleon zijn neus eraf heeft geschoten’. Zijn moeder wist sinds kort hoe Wikipedia werkte en had blijkbaar naar informatie over de Sfinx gezocht.
‘Dat was Napoleon niet. Die neus is er gewoon afgesleten door de zandstormen’.
- ‘Nou ja, het blijft schitterend. Zie je wel dat het met zijn drieën ook leuk kan zijn.’
‘Mama, alsjeblieft.’
Zijn vader stond naar zijn nieuwe digitale camera te staren. ‘Juliaan, hoe stel ik scherp met dit ding?’, vroeg hij. Een windvlaag waaide zand in hun ogen. Hij meende bij zijn moeder een traan te zien. Zijn vader vloekte en probeerde het zand uit zijn camera te blazen.
Vier weken reizen door Thailand, Vietnam en Cambodja. Toen Ruben het had voorgesteld leek het een goed plan: De wereld zien, vreemde culturen ontdekken, nieuwe mensen ontmoeten. Ver weg van zijn studentenstad. Juliaan volgde drie studies tegelijk en had volgens eigen berekening in vijf jaar tijd 3800 uur in de Universiteitsbibliotheek gezeten, waarvan zeker 150 op de WC. Hij had vier vaste studieplekken en per studieplek 75 studiepunten gehaald. Hij wist van heel veel dingen vrijwel alles.
Terwijl Juliaan in de Doha travel store naar de muur van backpacks keek werd hij radeloos. Hij stond op het punt zich om te draaien en weg te lopen, toen hij achter zich iemand hoorde. ‘Kan ik je helpen?’ Een dikkig meisje met dreadlocks en een tuinbroek aan keek vragend naar Juliaan.
- ‘Ik ga naar Azië en heb een rugzak nodig. Liefst niet te duur.’
‘Je moet bij rugzakken vooral letten op het draagcomfort. Deze zit lekker denk ik.’ Het meisje hees een North Face rugzak op zijn schouders.
- ‘Ja, die zit wel erg lekker.’
‘Dat komt door de unieke draagconstructie. Al het gewicht hangt daardoor op je heupen.’
Juliaan mompelde instemmend.
‘Hij kost iets meer, maar als je veel gaat reizen betaalt hij zich vanzelf terug’
Drie kwartier later stond Juliaan buiten met een Lowe Alpine rugzak, Teva sandalen, een Fjäll Raven afritsbroek en een MedicAid EHBO kit.
Bangkok bleek na aankomst niet veel anders te zijn dan Salou, waar hij direct na zijn eindexamen was geweest. Het was stoffig, warm en afgeladen met backpackers onder invloed van drank en drugs. Ze hadden lang haar en soms een baard. Ruben stond erop te verblijven in Khao San Road. Backpackers’ heaven volgens de Lonely Planet – die door Juliaan al tot not so Lonely Planet was gedoopt. Moe van de reis vielen Ruben en Juliaan in slaap op een kamer waar volgens de receptioniste van het hostel Leonardo DiCaprio nog had verbleven voor de opnames van The Beach.
Juliaan droomde dat zijn broertje door wachters achterna werd gezeten. Machteloos moest hij toezien hoe ze hem neerknuppelden. Hij omhelsde zijn broertje en liet tranen op zijn gehavende gezicht. Badend in het zweet werd hij wakker.
Laat op de avond aten ze een slappe hamburger in een Ierse Pub. Ze zagen hoe een groep Australiërs op straat hun volkslied aanhief. Oude Thaise vrouwtjes zetten de mannen kleurrijke hoedjes op het hoofd. De Australiërs lachten en stopten geld in hun gerimpelde handen. Op grote beeldschermen in de Pub scoorde Irak tegen Australië de winnende treffer in de AsiaCup.
Net voor vertrek had Juliaan telefonisch aan Anne – vereniging: Sextus, dispuut: Sisi, slogan: wij zijn Sloeries – laten weten dat hun kortstondige relatie wat hem betreft over was. Hij had zich gestoord aan haar ongeïnteresseerdheid. Vijftien films en vierentwintig boeken had hij in totaal ter sprake gebracht, ze had er geen enkele van gezien of gelezen. Pijpen kon ze overigens wel goed, dat had ze uit de Heleen geleerd.
Na drie dagen Bangkok vlogen Ruben en Juliaan naar Hanoi. Ooit had de stad betekenis gehad als centrum van communistisch Noord-Vietnam. Ruben las De Vliegeraar in het vliegtuig.
- ‘Juliaan, wat vond jij ervan?’ vroeg Ruben en keek op van zijn boek.
‘Kitsch’
- ‘Ik vind het prachtig. Moet je voorstellen, dat zo’n Afghaanse jongen dat allemaal meemaakt en zich er toch doorheen slaat.’
‘Veel mensen houden van kitsch’. Met die opmerking beschouwde Juliaan de conversatie als beëindigd. Met tegenzin sloeg hij De ondraaglijke lichtheid van het bestaan open. Nog 245 pagina’s te gaan.
Bij de bagageband in Hanoi ontdekte Juliaan het label op zijn rugzak: Made in Vietnam. Hij realiseerde zich dat hij binnen een week een rugzak voor 200 Euro had gekocht en die daarna 12.000 kilometer terug had gevlogen naar het productieland, waar hij voor een schijntje was gemaakt. Toen hij over deze ontdekking aan Ruben vertelde, wist die te melden ‘dat je de economie nu eenmaal draaiende moest houden’.
Na een dag rondlopen door Hanoi gooide Juliaan zijn Teva sandalen weg. Ze knelden en bovendien liepen alle backpackers op slippers. Ruben werd bij Ho Chi Minh’s mausoleum met een wisseltruc opgelicht toen hij een communistische vlag wilde kopen.
- ‘Klote Vietnamezen’ schreeuwde Ruben, terwijl hij woedend wegliep.
‘Toeristenbelasting, Ruben. Zo zou Marx het gewild hebben’
- Ruben keek hem vuil aan. ‘Laten we Bia Hoi gaan drinken’.
Bia Hoi bleek Hanoi’s grootste toeristische attractie. Vanaf negen uur ’s avonds kwamen alle toeristen naar dezelfde kroegen om zich voor tien cent per glas vol te laten lopen met het tapbier zonder conserveermiddelen. Ruben en Juliaan gingen met een paar Engelsen uit hun hostel mee naar de Blue Gecko Bar. Om half vijf ’s ochtends keken ze live naar Argentinië - Brazilië om de Copa Americá. Juliaan had zich al een week niet geschoren en begon op Chriet Titulaer te lijken. ‘Goodbye friends. Neuken in de keuken.’ riep de barman hen na bij het verlaten van de kroeg. Terwijl hij de barman hoorde giechelen om zijn eigen grap stootte Juliaan tegen iets zachts aan. Hij keek naar beneden en zag dat er een jongetje voor de deur lag te slapen. Achter zich hoorde hij de barman roepen: ‘No problem, warm weather all year! Neuken in de keu..’ De dichtvallende deur verhinderde dat hij zijn zin kon afmaken.
Ze lieten Hanoi achter zich en reisden met de bus richting het zuiden. In Hoi An zagen ze Die Hard 4 in de bioscoop, in Nha Trang Transformers, en in Saigon The Bourne Ultimatum. De meeste Vietnamezen kwamen halverwege de film luid pratend binnenlopen. Als ze zagen hoe lang hij was, wilden veel meisjes met Ruben op de foto.
- ‘Ik moet er eigenlijk gewoon een versieren, Juliaan. Die Aziatische chicks houden wel van een portie pik.’ Ruben en Juliaan zaten na The Bourne Ultimatum in een internetcafé. Buiten stortregende het.
‘Ja, natuurlijk. Moet je doen.’ antwoordde Juliaan terwijl hij zijn mailbox overzag:
RE: plannen voor 2e kerstdag? - 16/12/07
You want to be a real man? Enlarge your penis now! - 15/12/07
Lezing over spiritualiteit bij Heidegger, 23 december 18.30 uur - 14/12/07
RE: research proposal microfinance US and the Netherlands - 14/12/07
Hij klikte de onderste e-mail aan. Naast hem zat een klein meisje met grote ogen The legend of Zelda te spelen.
- ‘Luister je wel naar wat ik zeg?’
‘Ja, ik luister.’
Terwijl Ruben verder praatte las Juliaan de e-mail:
Hi Julian,
How‘s Indonesia?
Thanks for sending your proposal. I think you’ve got a very interesting research question. I completely agree with you that microfinance is a great instrument to alleviate poverty. I’ll be happy to work with you. We’ll write a fine article about it. I am sure we’ll get a lot of citations! Why don’t you come over to the center next spring? I can arrange some accommodation for you.
Have a nice Christmas when you come back from your holidays!
Dear regards,
John Deraux
Economics Center, University of Cincinatti
Juliaan klikte de mail weg. Geweldig. De wereld verbeteren, artikel voor artikel.
- ‘… dan laat ik haar alle hoeken van de kamer zien’.
‘Ik maak even een rondje, Ruben’ zei Juliaan en liep het internetcafé uit. De regenbui was opgehouden. Het maanlicht scheen op de natte straten. De stad vulde zich direct weer met de nooit aflatende stroom motorrijders. Hij zag twee monniken op een Yamaha voorbij komen, de poncho’s nog over hun oranje gewaad getrokken. Ze hadden geen helm op. Het ontroerde hem twee mannen zo onbeschermd op een motorfiets te zien zitten. Als je al eeuwenlang oorlog voert is motorrijden niet meer zo gevaarlijk.
Na een uur te hebben rondgelopen keerde Juliaan terug naar het hotel. Toen hij de deur wilde opendoen klonk er gekraak van het bed. Hij legde zijn oor tegen de deur en hoorde Ruben zwaar hijgen. Een hoog stemmetje kreunde: ‘Me so horny, western man so big’. ‘Life imitates art’, zei Juliaan zachtjes. Hij ging op een stoel in de gang zitten en viel in slaap. ’s Ochtends trof hij Ruben alleen op bed aan. De Vietnamese was verdwenen, net als de camera met vakantiefoto’s.
De onverharde weg van Saigon naar Pnom Penh maakte de busreis tot een hel. Twee keer stopten ze om een lekke band te vervangen. In de very Lonely Planet las Juliaan dat er jaarlijks 20.000 motorrijders in Vietnam verongelukken. Ruben las een illegale kopie van Harry Potter and the Deathly Hallows. In de Cambodjaanse hoofdstad was de ellende van het Rode Khmer regime nog tastbaar. Op straat klampten bedelaars met missende ledematen zich aan hen vast. ‘Niks geven’ zei Ruben, ‘dan denken ze dat bedelen loont en worden ze er afhankelijk van.’
In de voormalige Tuol Sleng gevangenis van de Rode Khmer bekeken ze de martelkamers die slechts zeven van de 18.000 gevangenen hadden overleefd. Onderweg naar de Killing Fields vroeg de chauffeur van hun tuk-tuk of ze met een M16 op een koe wilden schieten. Van de Killing Fields waren alleen nog met gras begroeide kuilen over. 400 Mensen per kuil, met knuppels en hamers omgelegd. De gids vertelde dat baby’s aan hun voeten tegen een boom werden doodgeslagen. ‘That’s why the local people call this the baby tree’. Hij wees naar een boom met bruine vlekken op de bast.
Op de avond voor hun terugreis kreeg Juliaan een diarreeaanval van de pat thai die ze op de Khao San Road aten. Ruben herkende de Engelsen uit Hanoi en ging ze vertellen over zijn Vietnamese verovering. In het hostel doorzocht Juliaan koortsachtig zijn EHBO Kit, maar vond geen diarreeremmers. De hele nacht en terugvlucht piste hij uit zijn reet, zoals zijn broertje het poëtisch kon omschrijven.
Op Schiphol gaf Juliaan Ruben een hand, wenste hem aangename Kerstdagen en pakte de trein van 17.26 uur. Vanaf het station fietste hij direct naar de Laagland supermarkt. Hij begroette een paar studiegenoten bij de afwasmiddelen, zijn buurmeisje bij de diepvriespizza’s en ontweek de blikken van de dispuutgenoten van Anne die een toetje stonden uit te zoeken.
Thuis at hij een Quattro Stagione steenovenpizza, dronk een fles Merlot leeg en zag op zijn computer hoe Catherine Deneuve in Indochine met ijzeren vuist de Franse kolonies in Azië probeerde te behouden. Behoorlijk aangeschoten en nog een beetje instabiel van zijn diarreeaanval liep hij na de film naar buiten. Door het park, langs de kerk, waar een jongen in een gele broek met zwarte letters tegenaan stond te pissen. De verlichte wijzers op de toren van het stadhuis wezen kwart voor twaalf aan. Bij café Publieke Zaken stootte hij de krant uit de handen van een man met lang haar die net naar buiten stapte. ‘Mijn excuses mijnheer’, mompelde hij en vervolgde zijn weg op de Smalstraat.
Melancholie overviel hem toen hij de zware houten deur van de sociëteit openduwde. Er hing een half afgescheurd papier op de deur: ‘Kersteindfeest –geen introducés’. Een walm van schraal bier, zweet en kots kwam hem tegemoet. Zwabberend liep hij de trappen op. Hij voelde hoe hij bij zijn arm werd beetgepakt.
- ‘Hé, jij bent hier geen lid. Wat kom je doen?’ blafte een forse vent met rossig haar in het gezicht van Juliaan. Zijn adem rook naar Apfelkorn.
Een jongen met een volle baard en wandelstok in zijn hand sloeg een arm om de rossige heen. Er sprak herkenning uit zijn blik.
‘Jezus man. Dat is Juliaan, de broer van Levi’
- ‘Verdraaid, je hebt gelijk’ zei de rossige.
‘Juliaan, je weet toch dat Levi hier niet meer is’ zei de jongen met de wandelstok. ‘Moet jij niet even je zinnen gaan verzetten. Op vakantie gaan of zoiets?’
Juliaan rukte zich los van de ijzeren greep van de rossige en liep naar buiten toe, de nacht in. Hij sleepte zichzelf richting station en haalde zijn telefoon uit zijn zak om te bellen. Nadat de telefoon een halve minuut over was gegaan nam zijn moeder met slaap in haar stem de telefoon op.
‘Met Henriette’
- ‘Mama, met Juliaan. Het gaat niet meer. Ik kom naar jullie toe.’
‘Goed jongen, ik kom je ophalen van het station. Bel je even als de trein bijna aankomt?’
Zijn moeder hing op. Juliaan passeerde een vrouw in een blauw mantelpak. Ze sloeg rechtsaf. Hij keek haar na en zag boven haar op de muur een gedicht staan. In het schemerlicht van een lantaarnpaal las hij:
¿Por qué estoy vivo?
¿Por qué estoy muerto?
Juliaan barstte in huilen uit. ‘Broertje, waarom heb je mij verlaten?’
Labels:
Korte Verhalen
Abonneren op:
Posts (Atom)