Posts tonen met het label Essays. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Essays. Alle posts tonen

zondag 30 augustus 2009

Essay veerstichting 2009

Dit essay zond ik in voor deelname aan het Veerstichting symposium 2009, met als thema 'Alles onder controle?'.

De wereld een studentenkamer
Over de noodzaak van het omarmen van chaos in de publieke sector

De constatering dat de wereld een oncontroleerbare chaos is, daarvoor hoef ik niet ver van huis te zoeken. Sterker nog, ik hoef de deur er niet voor uit. Een enkele blik op mijn studentenkamer volstaat. In een wekelijks terugkerend ritueel probeer ik orde aan te brengen in het interieur ervan, en even zo vaak verwordt het op onverklaarbare wijze weer tot een chaotische bende. Toegegeven, ik verzamel veel spullen op mijn kamer die bovendien niet al te ruim bemeten is. Je hebt er natuurlijk mensen bij die de voorkeur geven aan een minimalistisch design interieur. Maar zelfs die mensen moeten zich – net als ik – tijdens elke opruimbeurt afvragen welke orde je in het interieur aan zou moeten brengen om het ritueel voor eens en voor altijd de wereld uit te helpen. Ik kan het precieze moment niet noemen, maar onlangs vond een wending in mijn denken plaats die veel verder gaat dan het excuus dat ‘rommelig gezellig is’. Ik heb de chaos omarmd.

Als bestuurskundig filmmaker zie ik door een cameralens soms inspectieambtenaren – laten we zeggen van de Voedsel Waren Autoriteit – die proberen de chaos van de alledag te controleren. Dat doen ze in twee betekenissen van het woord: controleren als ‘toezicht houden’ en controleren als ‘temmen’ of ‘beheersen’. Controleren in de eerste zin van het woord is hun dagelijks werk (bijvoorbeeld de koeltemperatuur meten in shoarmazaken), controleren in de tweede zin van het woord is hun ambitie. Maar ze weten dat het altijd zal blijven bij ambitie. Immers, shoarmazaken zijn net als studentenkamers: hebben vandaag vijf shoarmazaken goed functionerende koeling, dan openen er morgen vijf shoarmazaken zonder. Dat is kenmerkend voor publieke taken: ze zijn vaag, niet eenduidig en bovenal worden doelen nooit echt behaald. De consequenties voor werken in de publieke sector laten zich raden. Daarom is het noodzakelijk voor hun werk dat inspectieambtenaren de chaos van de dagelijkse praktijk omarmen – dat wil zeggen accepteren, niet berusten.

Als mensen die werkzaam zijn in de publieke sector de chaos niet omarmen, zijn er twee alternatieven: 1) wanhopig worden; of 2) toch een poging wagen om de chaos te beheersen. Het eerste alternatief is begrijpelijk; ook een blik op mijn studentenkamer roept soms hetzelfde gevoel op. Het tweede alternatief is verontrustend. Helaas tref je dat tweede alternatief veel aan bij politici, consultants, en ook bij beleidsmakers. Ze ‘ontvouwen’ visies, maken plannen en presentaties, en delen cyclisch herhalende problemen op in behapbare projecten met kop en staart. Hun tactieken zijn verhullend; alsof er in de publieke sector een soort natuurlijke orde zou bestaan dat als eindpunt bereikt kan worden (vgl. de permanent opgeruimde studentenkamer). Een idee trouwens dat ten grondslag ligt aan tal van ideologieën, filosofieën en religiën (* zie voetnoot).

Eerlijk is eerlijk: deze tekst ontstond uit een chaos van ideeën (‘het hoofd als studentenkamer?’). Toch heb ik geprobeerd ze onder controle te brengen zodanig dat de lezer ze kan volgen. Een vraag ten slotte die me niet loslaat:

a) Als we aannemen dat politici, consultants en beleidsmakers hooggeschoold zijn en op studentenkamers hebben gewoond.
b) En als we aannemen dat inspectieambtenaren laaggeschoold zijn en niet op studentenkamers hebben gewoond.

Waarom zijn politici, consultants en beleidsmakers dan zo slecht in het omarmen van de chaos van alledag, en inspectieambtenaren zo goed?

---
* voetnoot: Denk bijvoorbeeld aan het communisme of het fascisme die beiden een heilstaat voor ogen hadden als natuurlijk einddoel. Voor religie geldt dat als God een volmaaktheid is, en hij de wereld naar zijn evenbeeld heeft geschapen, alles daarmee ‘in orde’ is. Een klassiek filosofisch idee – waar tegenwoordig lacherig om wordt gedaan – is de Aristotelische teleologie: alles in de wereld zou een natuurlijke plaats en doel hebben. Onder andere de mechanische natuurkunde van Newton en Darwin’s evolutietheorie leren echter dat niets in de wereld een natuurlijke plaats heeft en alles door toeval wordt bepaald (en in die zin ‘doelloos’ is). Hoewel wij in het Westen in die zin leven in een volstrekt onttoverde wereld blijft de idee van de mogelijkheid van controle en het bestaan van een einddoel een hardnekkig idee.

woensdag 17 juni 2009

Een essay over de status van wetenschapsfilosofie

Update 30 augustus 2009: het originele essay kan in PDF hier worden gelezen en gedownload.

Onlangs volgde ik een cursus wetenschapsfilosofie (getiteld 'Information Overload') aangeboden door Studium Generale van de Universiteit Utrecht. De locatie was mooi (het Academiegebouw), de gastsprekers veelal boeiend (o.a. journalist Joris Luyendijk en fotograag Geert van Kesteren), maar een probleem diende zich in de loop van de cursus aan: de status van wetenschapsfilosofie bleek onduidelijk. Een verplicht onderdeel van de cursus was het leveren van bijdragen aan forumdiscussies op de cursus-website. Daar werd het probleem schrijnend duidelijk: de circa 100 deelnemende studenten ‘zeiden maar wat’. De Babylonische spraakverwarring deed mij besluiten het afsluitend essay voor de cursus te schrijven over de status van wetenschapsfilosofie, vanuit de stelling dat wetenschapsfilosofie on-zin is. Hieronder het (stevig herschreven en ingekorte) essay. Als het gaat over forumdiscussies, dan betreft het zoals gezegd de forumdiscussies op de cursus-website. De vele voetnoten zijn voor de liefhebber. Onderaan het essay is een artikel te vinden van Menno Lievers (NRC Handelsblad, 11 april 2009) over min of meer hetzelfde probleem.


Een ongenode stelling
Een essay over de status van wetenschapsfilosofie 

“[...] als ik zo lees wat je allemaal schrijft heb ik een beeld voor me van een vervelende tiener die met zijn ouders in discussie treedt over de avondklok van de zaterdagavond. [...] Ik hoop dat je nu ophoudt met je infantiele boodschap te verspreiden want ikzelf heb er schoon genoeg van.” Olivier Schröder, in de forumdiscussie n.a.v. de stelling 'wetenschapsfilosofie is on-zin', 16 februari 2009 .

Een stelling die in een forumdiscussie een reactie zoals de bovenstaande uitlokt, dat moet wel een zeer ongenode stelling zijn. De door mij voorgestelde stelling was: ‘wetenschapsfilosofie is on-zin’. [1] In dit essay leg ik uit hoe ik tot die stelling ben gekomen, en welke achterliggende vraag de stelling herbergt. 

Voorafgaand aan de cursus ‘Information overload’ (aangeboden door Studium Generale van Universiteit Utrecht) – dat wordt omschreven als ‘interdisciplinair wetenschapsfilosofisch programma’ – had ik reeds vier andere wetenschapsfilosofische cursussen gevolgd.[2] Voor de laatste drie van die vier progamma’s was ik verplicht het boek ‘What is this thing called science?’ te lezen, geschreven door A.F. Chalmers. Ook voor de cursus ‘Information overload’ was het boek aanbevolen literatuur. Ik begrijp waarom het boek wordt verplicht of aanbevolen: het is een leesbaar boek en biedt een goed overzicht van alle belangrijke wetenschapsfilosofische vraagstukken, gepresenteerd met alle concurrerende standpunten van dien. Het gaat over inductie, falsificationisme, realisme en anti-realisme, paradigma’s en ga zo maar door. Enthousiast geworden door de cursussen vroeg ik aan vrienden die scheikunde studeerden ‘hoe zij in de wetenschapsfilosofische debatten stonden’. Tot mijn verbazing antwoordden zij mij ‘dat zij daarvan nog nooit kennis hadden genomen’.[3] De enkeling die wél een wetenschapsfilosofische cursus had gevolgd, had dat facultatief gedaan. Dat stelde mij voor de vraag: hoe is het mogelijk dat sommige wetenschappers wel kennis nemen van wetenschapsfilosofie en anderen niet – en dat zij tegelijkertijd gelijkwaardige wetenschappers kunnen zijn?’ Met gelijkwaardig bedoel ik hier dat de wetenschappers (potentieel) in gelijke mate in staat zijn tot het doen van wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontdekkingen. Met andere woorden: het is voor een wetenschapper mogelijk om een Nobelprijs te winnen zonder dat hij enig moment tijdens zijn leven heeft nagedacht over wetenschapsfilosofische vraagstukken.[4] Het antwoord op bovenstaande vraag moet daarom wel luiden dat een gebrek aan kennis over wetenschapsfilosofie blijkbaar geen bezwaar hoeft te zijn bij het bedrijven van wetenschap – en het is dus kennelijk ook niet per se een gebrek.[5] Dat zou ook wel eens de reden kunnen zijn dat cursussen wetenschapsfilosofie facultatief zijn. Heel grof samengevat: de wetenschap lijkt de filosofie voor het bedrijven van wetenschap niet nodig te hebben. 

Voorgaande paragraaf is kort door de bocht, maar feit is dat geen van de negen gastsprekende wetenschappers van de cursus ‘Information overload’ ook maar één van de zojuist genoemde wetenschapsfilosofische onderwerpen uit Chalmers’ boek behandelden.[6] Toegegeven: er was één gastspreker die met Rorty’s perspectivisme een poging deed. Dat was Rob Weinberg – inderdaad: de (enige) filosoof van het stel.[7] Zou het dan inderdaad zo zijn dat de filosofie – en daarmee de wetenschapsfilosofie – overbodig is (geworden) voor de wetenschap? Zou het inderdaad zo zijn dat de (wetenschaps)filosofie ‘[...] in de wetenschappelijk gestuurde wereld geen eigen betekenis [heeft]’, zoals Wouter Oudemans schrijft op pagina 53 in zijn boek ‘Echte filosofie’ (2008)?[8] 

Het zijn deze vragen geweest die mij hebben gedreven tot het poneren van de – gechargeerde – stelling dat wetenschapsfilosofie on-zin is. Inderdaad zijn er enkele onderwerpen die op de forumdiscussie worden bediscussieerd die doen denken aan de onderwerpen in het boek ‘What is this thing called science?’ Echter, zowel de forumdiscussies die aanleiding gaven tot de stelling dat wetenschapsfilosofie on-zin is, als een inventarisatie van de reacties erop, duiden erop dat de status van de wetenschapsfilosofische problemen waarvan men last meent te hebben, op zijn zachtst gezegd onduidelijk is. Eigenlijk weet men zich er simpelweg geen raad mee. Een aantal discussies gaan over onderwerpen die eigenlijk niets met (wetenschaps)filosofie van doen hebben.[9] Uit de discussies die wel over (wetenschaps)filosofie gaan (in de ruimste zin van het woord genomen) blijkt grote verwarring.[10] Veruit de meeste discussies lijken onnodig te problematiseren. Zo schrijft Karin van Boetzelaer doodleuk een column naar aanleiding van de documentaire ‘Waltz with Bashir’, waarin ze de stelling aangaat dat niet duidelijk is ‘wat er in de werkelijkheid gebeurd is’. Mijn reactie is te lezen in de voetnoot.[11] Annemarie Reynaers start een forumdiscussie over de vraag hoeveel foto’s een goede weergave van de werkelijkheid geven. 62 bijdragen later is men geen stap dichterbij een antwoord gekomen – dat uiteraard ook onmogelijk te formuleren is.[12] Ik zou nog tien pagina’s door kunnen gaan, maar afrondend stel ik voorlopig: 1) als het bedrijven van wetenschapsfilosofie zoveel (schijn)problemen oplevert waar men zich geen raad mee weet, en 2) wetenschapsfilosofie overbodig lijkt te zijn voor het bedrijven van wetenschap, dan Y) is zij net zo relevant als tarotkaarten leggen – en dus on-zin.[13] 

Nu volgt uit het feit dat a) wetenschapsfilosofie vaak een facultatief programma is; b) wetenschappers niet noodzakelijkerwijs wetenschapsfilosofie nodig hebben om wetenschap te bedrijven; c) geen van de sprekers zich geroepen voelt om wetenschapsfilosofische vragen te behandelen; en d) de forumdiscussianten radeloos zijn omtrent de status van (wetenschaps)filosofie, nog niet onvermijdelijk dat wetenschapsfilosofie ook inderdaad echt on-zin is. De vraag of wetenschapsfilosofie on-zin is, kan ceteris paribus om grofweg twee mogelijke redenen volmondig met ‘nee’ beantwoord worden. Ten eerste kan men beweren dat wetenschapsfilosofie weliswaar niet voor alle wetenschappers, maar wel degelijk voor enkele wetenschappers ‘zin’ heeft, en inderdaad, zo luidt ook het commentaar op enkele columns die ten grondslag ligt aan dit essay.[14] Opvallend aan het commentaar op de columns is dat de ‘zin’ van wetenschapsfilosofie impliciet wordt uitgedrukt in termen van ‘nut’ – namelijk wetenschappelijke vooruitgang.[15] (Wetenschaps)filosofie als activiteit an sich heeft blijkbaar een twijfelachtig bestaansrecht, dat heeft zij vooral als manier om wetenschappelijke vooruitgang te bewerkstelligen.[16] Maar dàt klinkt verdacht veel als de hierboven geciteerde zin uit ‘Echte filosofie’. Tevens biedt deze constatering een verklaring voor de eerder gestelde vraag hoe het mogelijk is dat wetenschapsfilosofische cursussen vaak facultatief zijn, en dat een wetenschapper zonder kennis van wetenschapsfilosofie een Nobelprijs kan winnen: wanneer het bestaansrecht van wetenschapsfilosofie afhangt van het ‘nut’ ervan voor wetenschappelijke vooruitgang, is/wordt zij overbodig als de wetenschap zelfstandig (d.w.z. zonder gebruikmaking van wetenschapsfilosofische inzichten) voldoende vooruitgang boekt.[17] Hoewel deze verklaring tentatief is, heeft zij intuïtief grote zeggingskracht. Is het immers niet zo dat wetenschap vaak min of meer kabbelend voortbouwt op bestaande inzichten binnen de scientific community? ‘Normale wetenschap’ zou de wetenschapsfilosoof Lakatos zulke wetenschap noemen. En is het niet zo dat als er doorbraken plaatsvinden (Lakatos: ‘revolutionaire wetenschap’, waarbij de kern van een wetenschapsfilosofisch programma wordt herzien), als er paradigma’s kantelen, dat daar dan flink over is nagedacht – wellicht: gefilosofeerd? Het vraagteken slaat hier op de gehele zin, maar ook in het bijzonder op het woord ‘gefilosofeerd’. Want wordt er in het geval van ‘revolutionaire wetenschap’ wel filosofie bedreven? Waren de ‘revolutionaire wetenschappers’ Copernicus en Einstein bijvoorbeeld inderdaad wetenschapper (vooral empirisch) en filosoof (theoretisch) tegelijkertijd?[18] 

Dat brengt ons direct bij het tweede mogelijke antwoord: wetenschapsfilosofie heeft wel degelijk ‘zin’, want zij is noodzakelijk om wetenschap te ‘over-denken’ – wat dat ook moge zijn (zie de eerder geschetste onduidelijkheid bij de forumdiscussianten). Wetenschapsfilosofie heeft dan de functie van ‘méta-wetenschap’, die zowel ‘over de wetenschap(pelijke disciplines) heen kijkt’ als haar grondslagen en veronderstellingen bevraagt – maar die zelf niet wetenschappelijk is. Dit antwoord is onvermijdelijk, en de reden is dat de vraag naar wat wetenschap is, niet wetenschappelijk te overdenken is. [19] Dat inzicht is evident, omdat het tegendeel een onmogelijkheid is. Ik kan met de beste wil van de wereld niet wetenschappelijk onderzoeken wat wetenschap is, op dezelfde manier waarop ik onmogelijk met behulp van de ratio kan onderzoeken wat rationeel is.[20] Ik zou nooit aan zo’n onderzoek kunnen beginnen, want zij vooronderstelt de aanwezigheid van hetgeen ze onderzoekt – namelijk zichzelf. 

De zaak lijkt dus beslecht. Wetenschapsfilosofie heeft niet alleen ‘zin’ als hulpmiddel – omdat zij soms ‘nut’ heeft voor wetenschappelijke vooruitgang. Nee, zij is ook intrinsiek van waarde. Willen we überhaupt de vraag kunnen stellen naar wat wetenschap is, dan moeten we filosofie betrachten, filosofie van de wetenschap: wetenschapsfilosofie.[21] Wetenschapsfilosofie heeft daarmee an sich bestaansrecht: zij kan belangeloos vragen: ‘wat is dat eigenlijk, wetenschap?’[22] Zij kan dat doen zonder zichzelf in de staart te bijten, omdat ze zelf niet wetenschappelijk is.[23] 

Inderdaad, de zaak lijkt beslecht. Maar dat is zij niet. Want de advocaat van de duivel heeft nog spreektijd, en hij is boodschapper van een zeer ongenode mededeling. Als een ondefinieerbaar onaangenaam gevoel was de vraag de lezer op de publieke tribune al bekropen, en de advocaat van de duivel stelt hem nu hardop: wat is dat eigenlijk: filosofie? (dit is de achterliggende vraag waar ik in de openingsparagraaf van dit essay al over sprak). De jury hult zich in stilzwijgen, en redeneert: ‘inderdaad, als we aan (wetenschaps)filosofie willen doen – waarvan we zojuist hebben vastgesteld dat het ‘zin’ heeft – dan moeten we wel dondersgoed weten wat het is, hoe het moet en hoe we het zouden moeten toetsen’. De jury blijft zwijgen, bedachtzaam. De rechter schorst de zitting.

Hoe theatraal ik de vraag ook moge presenteren, hij is niettemin van levensgroot belang. Daarom heb ik een forumdiscussie gestart met deze vraag als. Het resultaat was teleurstellend: 241 keer bekeken, maar slechts 16 reacties. Geen van de reacties leidde tot een bevredigend antwoord. Wederom een ontluisterende bloemlezing: “Ik weet niet, maar is het niet e [sic] bedoeling in het forum, om een klein stukje te schrijven en reactie te verwachten van andere... dit is te lang, ik ga het niet eens lezen. wacht gewoon af waar het naartoe leidt.. waarom maken mensen zich zo druk over het woordt [sic] wetenschapsfilosofie. het gaat om nadenken over andere onderwerpen dan je normaal in je studie doet” (Franca Bongers, 18-03-2009). “Filosofie is dieper nadenken over zaken waar al diep over nagedacht is” (Marcel Boerman, 10-4-2009). “[…] voor mij is filosofie nadenken over het leven en daar uiteindelijk je eigen weg in vinden” (Milou Willemsen, 18-3-2009) Dat filosofie nadenken behelst hebben alle reacties gemeen, maar dat geldt voor vrijwel elke activiteit of handeling. Wat daar filosofisch aan is, blijft een raadsel.[24] 

Een groot probleem presenteert zich. Als we op de vraag naar de filosofie een bevredigend antwoord schuldig moeten blijven, hoe kunnen we dan ooit iets zeggen over (wetenschaps)filosofische uitspraken – laat staan er een oordeel over vellen? Als we niet weten wat filosofie is, wat de filosofische methodes zijn en hoe we filosofische uitspraken zouden moeten toetsen, hoe kunnen we dan zin van on-zin onderscheiden?[25] Hoe kunnen we een uitspraak filosofisch noemen als we niet weten wat een uitspraak filosofisch maakt? Hoe kunnen we iemand filosoof noemen als we een filosoof niet zouden herkennen, al liepen we t
egen hem op in een drukke winkelstraat? Denk even terug aan een eerdere vraag: was Einstein (ook) een filosoof? Hoe zouden we het kunnen weten?

En wat zijn nu eigenlijk die filosofische methodes? In de cursusbeschrijving van 'Information Overload' luidt het als volgt: “[filosofische methodes zijn] bijvoorbeeld het analyseren van redeneringen en discussies, en het verhelderen van begrippen”. Daar schieten we niet veel mee op: die methode hanteert de linguïst ook, en de debattrainer, en de mediator – ja zelfs de ‘politiek columnist’ in het plaatselijke sufferdje. Wat er nu precies filosofisch aan die methodes, dat blijft onduidelijk. Het woord ‘bijvoorbeeld’ doet ons vragen: welke methodes zijn er nog meer? Even verderop wordt nog een methode prijsgegeven: “de belangrijkste filosofische methode [in ‘Information overload’] is die van het debat”. Voor die methode geldt hetzelfde als voor de eerder genoemde methodes.  Bovendien heb ik eerder laten zien wat er gebeurt als je honderden studenten in het wilde weg ‘filosofisch’ laat debatteren. 

En de jury blijft maar zwijgen; een bevredigend antwoord blijft no
g steeds uit. Één ding is zeker: de vraag naar wat filosofie is, kan niet filosofisch beant
woord worden. Maar hoe dan wel?[26] Het zou een schandaal kunnen worden genoemd: er staan op moment van schrijven bijna 4000 bijdragen op het forum, en het is volstrekt onduidelijk hoeveel daarvan filosofische bijdragen zijn – als er al een te vinden is. Maar de consequenties reiken veel verder: doorgeslagen relativisme, anything goes – inderdaad ‘luchtfietserij’ (Abram Ertroys in reactie op de forumdiscussie over ‘wat eigenlijk filosofie is’; 7 april 2009).[27] Het resultaat is de radeloosheid bij forumdiscussianten zoals even tevoren beschreven; een clowneske parodie op discussie: met de gekste dingen kan men wegkomen. In het wilde weg kan er vrijblijvend lustig op los worden gefilosofeerd – of gefantaseerd? Wie zal het zeggen?

Dat die boodschap een ongenode boodschap is, dat leidt geen twijfel. In die zin is de verontwaardiging van Olivier Schröder, waarmee ik dit essay begon, eigenlijk wel te begrijpen.

Literatuur 
Chalmers, A.F. (1999) What is this thing called science? Open University Press: Buckingham.
Oudemans, Th.C.W. (2008) Echte filosofie. Uitgeverij Bert Bakker: Amsterdam
Verbrugge, A. (2005) Tijd van onbehagen. SUN: Nijmegen. 

Noten
[1] Waarbij opgemerkt: ‘Ik schrijf ‘on-zin’ in plaats van onzin om de nadruk op 'zin' te leggen. Dat is een klein woord dat een wereld van betekenis in zich draagt. Van Dale geeft er 15 verschillende. Een kleine tip van de sluier: niet alleen bevraag ik de betekenis ('zin') van wetenschapsfilosofie, maar ook ontbreekt het mij aan de lust ('zin') om wetenschapsfilosofie te bedrijven zolang de status ervan onduidelijk is [dit komt verderop in de tekst ter sprake]’. 
[2] Achtereenvolgens het vak Wetenschapsfilosofie en Grondslagen van de Bestuurskunde bij de opleiding Bestuurskunde in Leiden, de vakken Epistemologie & Wetenschapsfilosofie 1 en 2 bij de opleiding Wijsbegeerte in Leiden, en het vak Wetenschapsfilosofie bij de opleiding Bestuurskunde in Utrecht. 
[3] Nu weet ik wel dat opleidingen verschillen naar de mate waarin ze dit soort cursussen aanbieden, en dat er ook veel opleidingen zijn die de cursussen wel aanbieden (zo is me ook fijntjes door menigeen verteld), maar dat is hier bezijden de pointe. Het punt (dat ook in de volgende zin wordt gemaakt) is dat wetenschapsfilosofie niet nodig is om wetenschap te bedrijven. 
[4] Bijvoorbeeld als hij het facultatieve vak wetenschapsfilosofie heeft laten schieten voor een extra cursus statistiek. 
[5] Als de lezer nu denkt: ‘alles goed en wel, maar een wetenschapper die wel kennis neemt van wetenschapsfilosofie is een betere wetenschapper dan de wetenschapper die dat niet doet’, dan nodig ik hem/haar uit een onderzoek te doen naar het aantal Nobelprijswinnende wetenschappers die zich niets gelegen hebben laten liggen aan wetenschapsfilosofie.  Het zullen er talrijke zijn. 
[6] In zes columns die ten grondslag liggen aan dit essay heb ik deze constatering per college uitgewerkt. De organisatoren van het ‘Information overload’ zullen in reactie op deze constatering ongetwijfeld verdedigen dat de opzet van het programma zich daarvoor ook niet leende. Dat laat onverlet dat geen van de gastsprekers wetenschapsfilosofische vraagstukken besprak. Het meest veelzeggende voorbeeld was de neuroloog Ignace Hooge, die desgevraagd ronduit afwijzend reageerde op de vraag of hij zich met wetenschapsfilosofische vraagstukken als het nut van reductionisme bezighield. 
[7] Rob Weinberg overigens, die tijdens het college door zijn discussiepartner Joris Luyendijk aan het eind van de discussie werd gediskwalificeerd als een gevoelloze nihilist, die zelfs de hongersnood in Afrika alleen filosofisch wil benaderen. 
[8] Oudemans vervolgt: “Ze [de wijsbegeerte] teert als een blindedarm op de gemobiliseerde universiteit. Die tolereert het wormstekig aanhangsel als cultuurpolitieke legitimatie: ‘Zonder filosofen worden we gebrandmerkt als cultuurbarbaren en dat verzwakt onze marktpositie’.” Elders in het boek noemt hij filosofie een moeder die van haar jong (de wetenschap) afscheid moet nemen: het jong heeft haar niet meer nodig. Als advocaat van de duivel vraagt hij zich tijdens colleges af of een boterham met pindakaas anders smaakt als je realist of idealist bent, en hoe vaak natuurkundigen aankloppen bij filosofie om te vragen naar ‘wat een elektron eigenlijk is’, voordat ze er experimenten mee uitvoeren. 
[9] Bijvoorbeeld: een discussie over Twitter (24-3-2009); Suikervrij waspoeder (3-2-2009); een pleidooi voor Rechtswetenschap (8-2-2009); de linkse media (11-2-2009) – die laatste is tevens de meest druk bezochte forumdiscussie van allen. 
[10] Wat te denken van de onbegrijpelijke stelling van Sebastiaan Steenman: ‘Exacte wetenschappen zijn geen wetenschap’ (17-3-2009). Hij schrijft: “Ik heb alle respect voor exacte wetenschappers. We hebben er in praktische functies door de jaren heen heel wat aan overgehouden. Toch zijn de opleidingen, hoewel ongetwijfeld razend ingewikkeld, eigenlijk geen wetenschap. Het is eerder een zeer verregaande ingewikkelde versie van een praktische HBO-opleiding (zonder dat op enige wijze te willen bagataliseren [sic!]). Ik mis de diepgaande gravingen [een pleonasme?] in de literatuur en de overpeinzing die voor mij onherroepelijk voorwaarde zijn van het wetenschappelijke 'werk'.” Men kan alleen maar hopen dat Steenman hier een gefingeerd naïeve stellingname beklom. Kim Lijfijt schrijft in de forumdiscussie n.a.v. de stelling ‘wetenschapsfilosofie is on-zin’: “[…] Wetenschapsfilosofie houdt zich niet alleen bezig met welke dingen binnen de wetenschap 'waar' zijn, maar ook hoe je wetenschap het beste zou kunnen bedrijven. Zonder discussie hierover komt de wetenschap vanzelf een keer tot stilstand. Een nieuwe wetenschappelijke onderzoeksmethode bedenken is óók wetenschapsfilosofie, en lijkt mij zeker niet onzinnig.” (14-2-2009) Kim raakt hier aan een punt dat ik verderop zal behandelen: bedrijven wetenschappers soms (onbewust) filosofie? Destijds reageerde ik op Kim als volgt: “Discussie over hoe wetenschap wordt bedreven is er dagelijks onder wetenschappers. Ook dagelijks worden er nieuwe methoden bedacht. Uiteraard. Dat is hoe wetenschap wordt bedreven. Daar komt geen filosofie bij kijken. De idee dat de wetenschap 'tot stilstand zou komen' is absurd. Integendeel, de wetenschap groeit exponentieel, kijk alleen maar naar het aantal artikelen dat wordt geproduceerd; de doorbraken die elkaar in steeds hoger tempo opvolgen.” Saskia Haitjema (15-2-2009) schrijft in dezelfde discussie “[…] Ethici zijn halve filosofen. […]” Ik vraag me af hoe ik dat voor me moet zien. Even later schrijft ze: “[…] Ethici zijn namelijk hele filosofen, en geen halve (ethiek is immers een tak van de filosofie).” De verwarring over de status van filosofie is compleet. 
[11] Reactie Kasbergen op 1-3- 2009: “Beste Karin, misschien ligt het aan mij (dat idee begint zich op te dringen), maar wederom begrijp ik je niet. We kunnen er bij een gebeurtenis prima achter komen 'wat er gebeurd is', bijvoorbeeld door het te filmen en de beelden te bekijken. Dat is ook precies wat aan het einde van Waltz with Bashir gebeurt: we zien wat er gebeurt, en wat er gebeurd is. Vrouwen huilen omdat hun mannen en kinderen zijn vermoord – door Falangisten (Libanese christenen), hoewel dat niet direct uit de beelden duidelijk wordt omdat de moordpartij zelf niet is gefilmd. Dat het geheugen zijn beperkingen kent, daar kunnen we het over eens. Maar dat leidt toch niet tot de conclusie dat we niet kunnen weten 'wat er gebeurd is’? Jou redenering consequent doortrekkend zou je zelfs tot de conclusie komen dat de moordpartij alleen maar heeft plaatsgehad omdat of terwijl mensen eraan terugdenken. Dat lijkt me een wrange conclusie die je vast niet voor je rekening wil nemen. Dat mensen een en dezelfde gebeurtenis anders ervaren betekent niet dat wat er is verandert. De één houdt van appels, de ander van peren, maar de aard van de appels of de peren verandert daarmee niet. Wat jij verkondigt is filosofisch idealisme, maar waarschijnlijk doet die term je vreemd aan. Ik ken namelijk de methoden van ‘wetenschappers’ die het sociaal constructivisme praktiseren. Ze rapen selectief wat filosofietjes bij elkaar en prakken die tot een theorietje. Helaas zijn die filosofietjes geleend van echte filosofen wel degelijk die diep en lang over ‘de dingen’ hebben nagedacht. Die zouden zich omdraaien in hun graf als ze zien hoe er nu meer wordt omgesprongen. Karin, het spijt me oprecht dat dit een persoonlijk getinte reactie is – ik zou mijn oordeel moeten opschorten – maar hier resoneert Maarten Luther: ‘hier sta ik, ik kan niet anders’. Het doet me pijn dat er rond de dood van echte mensen luchtkastelen worden gebouwd. Ik zou willen dat het anders was." Een reactie van Karin van Boetzelaer is uitgebleven. 
[12] Reynaers start de discussie (17-3-2009) met de tekst “[…] Mijn vraag is nu: hoeveel foto's hebben we nodig om tot een weergave van de werkelijkheid te komen en waar is de kracht van de representatie gebleven?’. De 62e (en laatste) reactie luidt: “Dat is überhaupt niet mogelijk. Zelf zou ik zeggen dat een foto wel de werkelijkheid weer kan geven, maar niet de context. We zien dus wel de werkelijkheid maar weten niet wat we daarmee moeten” (Karlijn Mofers, 11-4-2009). 
[13] Nu zijn er uiteraard talrijke forumdiscussianten die goochem roepen dat het juist de discussie is die belangrijk is, en niet zozeer de antwoorden. Mijn goocheme antwoord daarop luidt: discussie over on-zin is nog steeds on-zin. 
[14] De commentator schrijft n.a.v. de column: “Overigens worden aan alle technische universiteiten wetenschapsfilosofiecursussen gegeven en heeft de wetenschapsfilosofie van de 20ste eeuw een ongekende impact gehad op bv. de onderzoeksmethoden in de chemie, biologie en de natuurkunde (Kuhn, Popper, et al.)”. N.a.v. een andere column schrijft hij: “Om wetenschapsfilosofie te bedrijven hoef je overigens geen filosoof te zijn, zo bedrijven bv. de meeste theoretici dagelijks een vorm van wetenschapsfilosofie (nadenken over de Quantummechanica of over hoe men chemische of biologische experimenten het best kan beoordelen valt hier ook onder, zie bv. Mach, Galison, Latour, Franklin).” 
[15] Overigens is het woord ‘nut’ een zeer economische term in een academische cursus, maar dat zien we door de vingers. Wie kan ontkennen dat economie een grote rol speelt in de hedendaagse academie? Als een wetenschapper het ‘nut’ van wat hij doet onvoldoende kan aantonen wordt hij ‘wegbezuinigd’ (ook al zo’n economische term) – dat gebeurt aan de Universiteit Leiden op moment van schrijven veelvuldig bij de kleine Letteren studies. En zelfs in de filosofie heeft de economische rationaliteit overgenomen: wetenschapsfilosofen zijn tegenwoordig ‘professioneel’, getuige de cursusbeschrijving van de cursus ‘Information overload’. Nee, een beetje met een toga aan door een zuilengang kuieren, daar kom je niet meer mee weg. 
[16] Het lijkt ook aannemelijk dat de hedendaagse wetenschapper die overspoeld wordt door bergen peer-reviewed journal articles zichzelf enkel nog het pleziertje gunt zich af en toe te laven aan wetenschapsfilosofie die voor zijn vakgebied relevant is. Zo zal een cultureel antropoloog niet snel (meer) onder werktijd in zijn luie stoel voor een knapperend haardvuur een boek openslaan over de filosofie van de kwantummechanica (voor zover zoiets bestaat).
[17] Wat ‘voldoende’ vooruitgang is, is eigenlijk een onbeantwoordbare vraag. Een voorlopig antwoord kan luiden dat ‘voldoende vooruitgang’ betekent dat de scientific community niet onrustig wordt omdat ze met teveel vragen blijft zitten, maar ze zichzelf aardig bezig weet te houden met bepaalde vraagstukken. Of  die vraagstukken ook ‘waarheidsvinding’ inhouden is bezijden het punt: eeuwenlang hebben voorwetenschappelijke filosofen elkaar beconcurreert met godsbewijzen. Overigens kan ook technische vooruitgang – steeds geavanceerdere robots bouwen bijvoorbeeld – de honger naar wetenschapsfilosofie effectief stillen. 
[18] Copernicus en Einstein zouden in die zin filosofen kunnen worden genoemd, dat zij ‘de aard/het wezen van de natuur’ radicaal herdefinieerden aan de hand van niet-empirische gedachte-experimenten. 
[19] In toevoeging op de vorige voetnoot: kunnen wetenschappers met deze constatering in de hand wel tegelijkertijd filosofen zijn/worden genoemd? Kunnen zij het ene moment wetenschap bedrijven en het volgende moment filosoof zijn, als ware de wetenschap een jas die men even kan uittrekken? En, hoe doen ze dat dan? 
[20] Dit is precies het probleem dat filosofen ten tijde van de Verlichting ondervonden: dat de ratio niet rationeel te funderen is (Ad Verbrugge, Tijd van onbehagen, 2005: SUN Nijmegen).
[21] Men zou zich de vraag kunnen stellen: maar waarom zouden we eigenlijk  niet vanuit het domein van de literatuur of de kunsten trachten te vragen wat wetenschap eigenlijk is? En inderdaad, waarom ook eigenlijk niet? Het is reeds vaak genoeg gedaan.
[22] Kan een wetenschapper inderdaad ‘belangeloos’ filosoferen over de wetenschap die vervolgens weer gaat bedrijven?
[23] Niet tot mijn verbazing – gezien de rest van de forumdiscussies – was op het forum ook de misvatting vertegenwoordigd dat filosofie wetenschap(pelijk) is/kan zijn, of dat er zoiets bestaat als wetenschappelijke filosofie. 
[24] Vgl. “Nu zijn er mensen die zeggen: filosofie is verwondering; of filosofie is het grondig overdenken van de dingen. Welnu, als dat filosofie is, dan heb ik dagelijks een filosofische ervaring in de Amsterdamse Kalverstraat: ik verwonder me over al het volk dat voorbij schuifelt, en pijnig mijn hersenen over de vraag wat al die mensen daar te zoeken hebben (Kasbergen, 17-3-2009).
[25] Op empirische basis kunnen we filosofische uitspraken niet toetsen, want dan bedrijven we wetenschap. Dat is wat er onder andere in de cognitieve wetenschappen al decennia lang gebeurt: problemen die voorheen filosofisch problemen leken, verdwijnen simpelweg door voortschrijdend wetenschappelijk inzicht. Als de ‘overtuigingskracht van argumenten’ het criterium is voor filosofische toetsing, dan verwordt filosofie tot een discussie over wat is. Dat is paradoxaal, dat ik aan de werkelijkheid door mij bedachte eigenschappen kan toedichten. Er is een groot verschil tussen wat is en wat ik vind (m.a.w. mijn mening). Bovendien dreigen filosofische discussies dan heel snel ten prooi te vallen aan retoriek. En aangezien we geen methode hebben voor filosofische toetsing kunnen we de gekste dingen met grote stelligheid beweren (zie ook mijn bloemlezing van de forumdiscussies).
[26] Een wel eens gehoorde suggestie is de vraag naar de filosofie te beantwoorden vanuit het domein van de kunst, de literatuur, de dichtkunst of de esthetiek. Daar ga ik nu niet verder op in.
[27] Dat ik de problemen opzoek, dat doe ik natuurlijk zelf. Als je ze gewoon van je af laat glijden, heb je geen probleem. Zo schrijft Alwin Grubben als reactie in de forumdiscussie over de on-zin van wetenschapsfilosofie’ op 18-2-2009: “Je bent wel erg negatief. Zooow verschrikkelijk is deze cursus ook weer niet vind ik. best interessante lezingen, collumnpjes opsturen. Wat is het probleem echt?” Wat het probleem is, moet de lezer nu intussen wel duidelijk zijn.

Het artikel van Menno Lievers in NRC Handelsblad van op zaterdag 11-4-09 (klikken voor groot formaat):


donderdag 10 juli 2008

Inzending essaywedstrijd VolZin - Religie en samenleving

Een slecht verhaal
Over de onverklaarbare ondergang van religie zoals gevoeld door Peter Kasbergen

De familie van mijn moeder kent nog drie levende generaties: de oudste generatie is die van mijn strenggelovige protestantse grootouders, de jongste die van mijn goddeloze broer. Daartussenin zit mijn moeder zelf, die trouw de dorpskerk frequenteert. Mijn vader heeft naar eigen zeggen als misdienaar op het internaat zoveel tijd in kerken doorgebracht, dat hij sindsdien alleen de verplichte Kerst-mis bijwoont.

Ik kan mijzelf niet religieus noemen, hoewel ik in mijn opvoeding veel van de katholieke en protestantse wereld heb meegekregen. Misschien is het juist daarom verkeerd gegaan: twee geloven op één ouderlijk kussen. Maar ik denk het niet. Er is iets sterkers mee gemoeid: ik merk dat ik probeer mijn moeder van haar geloof te praten. Ik merk ook dat het mijn opa zwaar valt dat mijn neefje onder invloed van mijn seculiere oom alleen ‘gelooft’ wat hij met zijn eigen ogen ziet. Het feit dat ik gedoopt ben, geeft mijn grootouders rust. Toch wringt het tussen de generaties.

Deze generatieverschillen refereren aan vervlogen – maar geen onbelangrijke – tijden. De crisistijd, de verwoestende Tweede Wereldoorlog waarin het ‘absolute kwaad’ zich manifesteerde, en de grijze naoorlogse vijftiger jaren: het waren tijden voor rotsvaste religieuze overtuigingen. Iedereen behoorde tot een zuil. Vanaf de jaren ’60 zette de bevrijding in – maar volgens anderen juist het verval – die de religie zwaar op de proef stelde. Spiritualiteit kwam plots niet meer vanaf de kansel, maar uit een waterpijp. Mijn tijd, de jaren ’90 en verder, is een tijd waarin religie volledig is weggedrukt door economie consumptie. Ik ben de eerste generatie die tijdens het uitgaan opmerkt dat de discotheek waarin hij zich bevindt een omgebouwde kerk is. De enige zuilen die mijn vrienden nog kennen zijn Dorische, Ionische en Korinthische zuilen.

Vraag is: wat kan ik hier anders doen dan mijn constateringen beschouwen als historisch of sociologisch? Zó was het toen, nu is het zó. Is die beweging dan eenzijdig of circulair? Kan religie zomaar een revival beleven, zoals de skinny jeans uit de jaren ‘80 op het moment weer in de mode zijn? De statistische onderzoeken zijn er niet eenduidig over. Maar dat is niet het punt: hier ligt iets anders aan ten grondslag. Een grote reductie, waar ik mijn vinger toch nog niet op kan leggen. Niettemin doe ik een poging. Daarbij spreek ik voor mijzelf. Hoe zou het anders kunnen?

De oude Grieken kenden tragedie (drama) en komedie (blijspel): in beide gevallen waren de hoofdrolspelers overgeleverd aan de grillen van de goden. Vanaf de presocratici begonnen we in het Westen evenwel de wereld te begrijpen en te beheersen. Wie heden zegt dat hij is overgeleverd aan de goden, doet zich voor als Don Quichot die een klap van de molen heeft gekregen. Ik ben geneigd te zeggen: we leven in een volledig verwetenschappelijkte en ‘techno-logisch’ gestuurde wereld waarbinnen religie een afwijkend verschijnsel is geworden. In een vrolijke tandem hebben de natuurwetenschappen en Darwin gulzig alle natuur gereduceerd tot materie en gedrag. We weten nu: de natuur kent geen ‘zin’ en werkt niet doelmatig. De kliekjes zijn voor de sociale wetenschappen, de letteren en de rechten, die in de marges opererend proberen de mens en zijn creaties op een alternatieve manier te begrijpen.

Voorgaande noem ik de reductie van de ooit goddelijke natuur tot mechanica en darwinisme. Maar all is not lost, toch? Persoonlijk merk je het: de koude rationaliteit verdringt de warme emotie, de spiritualiteit en de bevlogenheid. Maar je wilt ze terug, je wilt geloven dat er méér is. Je wilt betekenis toekennen aan de dingen. Tegelijkertijd lukt het niet meer. Zie maar.

Intellectueel gezien waren de jaren vijftig en zestig nog een tijd van idealisme en grote vragen. Mao Zedong was ‘de grote roerganger’: de heilstaat was als ideologie en ideaal nog springlevend. Mijn vader liep in protesten mee met een bord waarop stond: ‘Nixon oorlogsmisdadiger’. ‘Ich muss verstehen’, zei politiekfilosoof Hannah Arendt en schreef een boek over ‘The Human Condition’ (toe maar!).

Intussen zijn de dingen ineengezegen. Ik zag vorig jaar op het Rode Plein in Moskou een oude man het communisme prediken. Hij was verworden tot een toeristische attractie.

Een held van mijn generatie is de cabaretier Hans Teeuwen – zijn motto: ‘ik moet helemaal niks’. Niet toevallig is hij ook zelfverklaard verdediger van het vrije woord en hij neemt het daarin op tegen de islamitische meiden van Halal. Het extreme liberalisme waarvan zijn cabaret – waarin letterlijk alles moet kunnen, tot en met publiekelijk klaarkomen op Hare Majesteit – en zijn ‘maatschappelijke betrokkenheid’ doortrokken is, is tekenend voor deze tijd.

Wie vandaag de dag verklaart dat hij strenggelovig is, wordt in eerste instantie met argwaan aangekeken. De ChristenUnie haalt zich de woede van velen op de hals wanneer ze openlijk politiek bedrijft vanuit religieuze motieven. Laatst zag ik tijdens een collecteronde op een deur een vergeelde sticker van de Nederlandse Vereniging ter Bevordering van de Zondagsrust. Nog zo’n voormalig instituut dat reeds lang en breed door de economische rationaliteit is verdreven.

Het is gek: ik kan het niet scherp beargumenteren, maar voel aan alle kanten dat religie niet meer ‘van deze tijd’ is.

Wij verkeren in de positie om andere tijden te overzien en in te delen. Dat religie een bron van fundamentalisme, verstarring en geweld kan zijn, dat haalt je de koekoek. Voorbeelden te over: van de middeleeuwse kruistochten tot de 20e eeuwse Taliban-terreur. Maar daar staat religie niet alleen in; onder andere nationalisme, communisme en fascisme delen daarin mee. Het heeft alles te maken met de gevaarlijke onbetwijfelbaarheid van overtuigingen. Intussen worden zelfs in naam van universele vrijheden en mensenrechten heftige oorlogen gevoerd. En wat te denken van economische motieven, die al niet eens meer onbetwijfelbaar hoeven te zijn. Financieel pragmatisme volstaat.

Of religie ook een blijmoedig spel kan zijn, dat resulteert in vreugde, veerkracht en levensmoed zou ik niet weten, aangezien religie persoonlijk is en ik mezelf niet voor een religieus mens houd. Ik weet wel dat ik een spruitjeslucht waarneem als ik iemand hoor zeggen dat hij levensmoed put uit religie. Die kan ik ook putten uit mijn studie, mooie muziek, lekker eten en geliefde(n). Staan die dingen dan op dezelfde hoogte: de één wordt gelukkig van twintig Weesgegroetjes, de ander van een mopje muziek? Ik durf het niet te zeggen. Ik geef toe dat ik in een dronken bui wel eens huil vanwege oprecht gevoelde, maar onverklaarbare broederliefde. Heb ik dan ‘de geest gekregen’ en een (bijna)religieuze ervaring gehad? Nee, besef ik. Mijn onauthentieke emotie is gestuurd door mijn lezing van Dostojevksi’s De gebroeders Karamazow en de volgende dag is mijn kater er niet minder om. Met fikse hoofdpijn lees ik dan in Science dat emoties worden veroorzaakt door snelvurende synapsen in mijn hersenen.

Ik heb als homo academicus nooit goed begrepen waar de behoefte aan religie vandaan komt. Één verklaring is geïnstitutionaliseerde religie, met andere woorden de macht der gewoonte. Zo verklaar ik de gelovigheid van mijn grootouders en mijn moeder. Tegelijkertijd definieer ik mijn vader’s afscheid van de kerk als een ontsnapping aan een verstikkende traditie. Een ontsnapping overigens waar tot op heden niets voor in de plaats is gekomen.

Als instituut staat de (katholieke) kerk onder druk. Ze heeft te kampen met teruglopende bezoekersaantallen en wordt geplaagd door schandalen als massaal kindermisbruik door priesters. Ik neem het overigens niemand kwalijk dat hij religieus is, net als ik het niemand kwalijk neem als hij met volle mond praat: kwestie van opvoeding. Maar actief ‘kiezen’ voor een religie, jezelf ‘bekeren’ tot een religie? Dat klinkt raar. Waarom zou je nog?

Daarmee zijn we aanbeland bij een tweede verklaring voor religie: de persoonlijke zoektocht naar ‘iets hogers’. Ik heb al betoogd dat zulks in andere dingen ook te vinden is, maar dat is flauw. Vrijwel alle religies zijn doorwrongen van de idee dat er een hogere macht is die zich om de gelovige mens bekommert en dat er hoop is dat het ooit beter wordt. Die Messiaanse boodschap kan mooie muziek niet bieden. Ik kan daarom niet zeggen ‘de één gelooft, de ander niet; je hebt appels en je hebt peren’. Dat contrasteert met de essentie van echte religie: dat er één waarheid is, de waarheid van een god die zich bekommert. Net zo goed als ik een christen leugenachtig vind als hij de evolutie ontkent, moet hij mij leugenachtig vinden als ik het bestaan van God onwaarschijnlijk acht, omdat het voor mij een onbewijsbare hypothese betreft. We zijn helaas gedwongen ofwel elkaar niet serieus te nemen ofwel elkaar te minachten.

Kan dat eigenlijk wel, religie bedrijven (of wetenschap, maar daar gaat het nu niet over) zonder minachting voor anderen, zonder bekeringsdrang? Het begint er haast op te lijken – zij het in surrogaatvorm. De reiki consultants en zenmeesters schieten als paddestoelen uit de grond. De yogaklasjes en meditatieweekenden zijn volgeboekt. Dat heet dan ‘ietsisme’ te zijn, maar ik noem het ‘nietsisme’, ofwel: nihilisme. Wie met een strak gezicht kan beweren dat hij gelooft dat er ‘iets is’ en vervolgens zijn persoonlijke karma laat onderzoeken door een spiritueel ingestelde life coach, die bevestigt daarmee onmiddellijk de nietigheid en zinloosheid van zijn holle uitspraak. ‘Menschliches, allzumenschliches’.

Bij nader inzien heb ik, geloof ik, wel respect voor religie als echte overtuiging; tegen het geweld van het rationalisme, de economie en de atheïsten in. Religie is niet voor mensen met slappe knieën of zonder ruggengraat. De rug moet recht worden gehouden: geen seks voor het huwelijk, bidden voor het eten en op zondag naar de kerk.

Hier sta ik dan, ik kan niet anders. Met zekerheid uitspraken doen over de aard van religie betekent mijn eigen these in de staart bijten. Ik ga dus ook niets zeggen over wat religie ‘moet’ (‘het moet helemaal niks!’) of ‘waar het heen moet’. Hoe zou je het ding willen sturen? Het gaat alle kanten op en is reeds alle kanten opgegaan. Van onbetwijfelbare overtuiging waar letterlijk alles voor moest wijken tot de verdraagzaamheid van Gandhi of Moeder Theresa. Vanwege religieuze motieven worden mensen in ontwikkelingslanden levensreddende voorbehoedsmiddelen onthouden. Tegelijk worden om economisch gewin miljoenen kindarbeiders uitgebuit. Wie durft hier scherprechter te zijn?

Ik ben een nihilist en stap ’s ochtends fluitend uit bed. En velen met mij. Wij menen ons te hebben onttrokken aan een achterhaald instituut en te hebben vrijgevochten. Maar wat komt ervoor in de plaats? Niets, nihilisme. Zwak nihilisme welteverstaan, dat zich nog wel verdrinkt in nietsontziende wetenschap, verdovend consumentisme of de geruststellende idee dat er ‘iets’ is. Akkoord, de fundamentele twijfel aan mijn overtuigingen (de wetenschap werkt ook enkel met hypothesen en waarschijnlijke uitkomsten) resulteert in zoveel besluiteloosheid dat ik niemand de kop in zal slaan. Maar daarmee is alles dan wel gezegd. Een magere boodschap; daarmee kan ik niet bij moeder thuis komen – laten staan op visite bij opa en oma. Maar een beter verhaal heb ik niet.

dinsdag 10 juni 2008

Inzending Essaywedstrijd Banningprijs

Ik weet dat ik niets zeker weet
Een betoog over twijfel en onzekerheid.

Het enige zekere in het leven, is de dood. In tegenstelling tot vele andere, bergt deze volkswijsheid wél een absolute waarheid in zich. Het leven bestaat alleen bij gratie van de dood. Stel het leven maar eens voor zonder de dood, het zal u moeilijk vallen. Andersom geredeneerd: zo lang u zich de dood nog kunt voorstellen, kunt u er vrij zeker van zijn dat u nog leeft. Ik vind dat geen vervelende gedachte. Aangezien het leven elk moment afgelopen kan zijn wil ik in de tijd die me nog rest zoveel mogelijk presteren, zoals proberen de Banningprijs te winnen.

Er zijn mensen die meer moeite hebben met de totale afwezigheid van zekerheden in het leven. Zij bekeren zich bijvoorbeeld tot een religie. Religie als échte overtuiging kan alleen bestaan als het bestaan van een God/god boven elke twijfel verheven is. Iemand is niet streng gereformeerd, simpelweg omdat je nooit weet of je anders misschien wel in het vagevuur terechtkomt. Toegegeven, er zijn tegenwoordig in Nederland mensen die wel geloven dat er ‘iets’ is, maar niet weten wat dat ‘iets’ dan precies is. Ze kampen nog met de postmoderne naweeën van de verzuilde samenleving en besteden veel geld aan yogaklasjes, zelfhulpcursussen en wat dies meer zij. Over geld gesproken, je ziet overal om je heen dat de moderne mens hardnekkig de volkswijsheid over de dood trotserend, probeert zekerheden in zijn leven in te bouwen. In de economie wordt schijnzekerheid verkocht: koop dit product, resultaat gegarandeerd! Maar de markt kan onmogelijk zekerheid verkopen: de veiligheid van de Volvo kan de kans op een ongeluk niet elimineren. Ook vermaak is zeker: bergbeklimmers hoeven niet bang te zijn te vallen, zij zijn gezekerd met een veiligheidskoord. Toch kletteren er elk jaar weer een paar van de Alpen af. De zekerheid heeft ook bezit genomen van het lichaam. We knutselen eraan om verzekerd te zijn van een gelukkige oude dag. Niet alleen met potentieverhogende middelen (wederom: succes verzekerd!), maar ook door plastische chirurgen erin te laten snijden. Nog sterker: we zijn lijf en leden zelf gaan verzekeren. De benen van menig profvoetballer zijn voor miljoenen euro’s verzekerd. Wie niet verzekerd is, kan als verloren worden beschouwd. Michael Moore’s documentaire Sicko over de gezondheidszorg in de Verenigde Staten illustreert dat dit gegeven soms zeer letterlijk genomen dient te worden.

Het zekerheidsdenken dat in het moderne leven is geslopen, is deels het gevolg van de moderne risicomaatschappij zoals door de socioloog Ulrich Beck beschreven. Die maatschappij is georganiseerd om te beantwoorden aan risico’s – die we paradoxaal genoeg deels zelf produceren – en die we tot een minimum proberen te reduceren. Maar voor de dieperliggende oorzaak moeten we terug naar de Verlichting, en in het bijzonder naar de filosoof Descartes. Zijn scepsis dat we over het stoffelijke of lichamelijke, en de zintuiglijke waarneming ervan, radicaal moeten twijfelen heeft ons niet meer los gelaten. In de twintigste eeuw keert die twijfel terug bij de filosoof Putnam die het beroemde brains in a vat gedachte-experiment uitvoert. Zouden wij niet allemaal breinen in vaten kunnen zijn, die zich slechts verbeelden dat ze een lichaam bezitten? Een hardnekkig idee dat ook in de populaire cultuur terugkeert in de vorm van de films over The Matrix.

De dualist Descartes is echter over het mentale niet sceptisch. Integendeel, cogito ergo sum: ik denk dus ik besta. Van mijn gedachten kan ik zeker zijn; mijn autonome geest en wil maakt mij tot de mens die ik ben. Descartes’ rationalisme plaatste de ratio op een voetstuk, waar het sindsdien nooit meer af is getrokken.

Maar we moeten Descartes’ scepsis herzien: ook de denkact is onzeker. Zijn dualisme is achterhaald. Descartes had gelijk dat we niet zeker kunnen zijn van onze waarnemingen: getuigenverklaringen blijken notoir onbetrouwbaar. Van de media moet je het ook niet hebben. Onder andere tonen Joris Luyendijk’s boek Het zijn net mensen en de documentaire Outfoxed (over Fox news) hoe media berichtgeving manipuleren en onjuiste informatie aanleveren. Onze waarneming is op een nog fundamenteler niveau onzeker: de tijd die de hersenen nodig hebben om signalen van de zintuigen te verwerken maakt dat we onoverkomelijk in het verleden leven.

Maar ook het denken en alle producten ervan hebben geen zekerheidswaarde. De psychologie leert ons dat de hersenen voornamelijk worden gestuurd door het oncontroleerbare onbewuste, met een verwerkingscapaciteit die 200.000 keer zo groot is als die van het bewustzijn. De zekerheid die nog in de rationalistische filosofie van Descartes ligt besloten, is ijdele hoop. De uitspraak cogito ergo sum doen, vóóronderstelt denken en is dus zin-loos. Volgens de filosoof Wittgenstein bestaat er geen noodzakelijk verband tussen woorden en hetgeen ze betekenen: ik kan onmogelijk zeker weten dat mijn vrouw de drilboor van mijn buurman en niet mijn pianospel bedoelt, wanneer ze klaagt over de herrie. In Der Frage nach der Technik schrijft de filosoof Heidegger: de moderne techniek en bijbehorende natuurwetenschap hebben tot doel steuerung und sicherung: sturen en zekeren. Lang heeft de natuurwetenschap inderdaad de pretentie gehad zekerheden te bieden. Maar die pretentie – die natuurwetenschappers als Copernicus en Galilei nog wel hadden – is verloren gegaan. In de natuurkunde hebben de absolute wetten van de deterministische Newtoniaanse mechanica plaats gemaakt voor de kwantummechanica, die waarschijnlijkheden berekent. De moderne sociale wetenschap gebruikt de statistische methode; statistiek werkt met waarschijnlijkheidsintervallen. Ten slotte weten we sinds Darwin zelfs dat het bestaan van menselijk leven an sich onzeker is, of sterker nog: puur toeval. De evolutie verloopt niet volgens een plan en heeft geen doel.

Een lichaam en geest die zo feilbaar en onzeker zijn, daar kun je niet op vertrouwen. Daar mag je ook niet op vertrouwen. Toch is de politiek nog steeds een domein waar zekerheid een grote rol speelt: stem op mij, ik verzeker u dat duizend bloemen zullen bloeien. De politiek is het domein van de grote ideeën en ideologieën, van de krachtige retoriek en van de overtuiging. Over al deze zaken hangt een zweem van ‘zeker van je zaak zijn’ – waarvan we hebben gezien dat het misplaatst is. Niet alleen is het misplaatst, in weerwil van het Engelse ‘safe and secure’, is er ook niets veiligs aan politieke zekerheid. In het Engelse woord voor overtuiging – conviction – schuilt nog de negatieve connotatie: in de eerste plaats betekent dat ‘schuldigverklaring’. Politici die zich schuldig bevinden aan overtuiging willen de maatschappij zekeren en beheersen. In combinatie met de juiste machtsmiddelen leidt totale beheersing zonder checks and balances tot dictatuur en totalitarisme. Notoire voorbeelden zijn Nazi Duitsland, Rusland onder Stalin, China onder Mao, Cambodja onder de Rode Khmer, Iran onder Khomeini, Afghanistan onder de Taliban en de talloze militaire junta’s in Zuid-Amerika. Het is duidelijk dat gevaarlijke overtuigingen overal op het politieke links-rechts spectrum voorkomen en in vrijwel elke religie aanwezig zijn.

Onontkoombaar moeten we stellen dat pluralistische democratie enerzijds en één of meerdere politieke facties met vaste overtuigingen anderzijds elkaar slecht verdragen. Dat de democratie in Nederland ten tijde van de verzuiling stand heeft kunnen houden, kan gerust een mirakel worden genoemd. De stabiliteit van de democratie werd gewaarborgd door een elite die had afgesproken tegenstellingen niet (letterlijk) uit te vechten. Niet dankzij, maar ondanks de verschillende (religieus-)politieke facties is Nederland er weer bovenop gekomen. We kunnen de fragiliteit van democratieën niet onderschatten. De recente politieke ontwikkelingen in Rusland zijn een schrijnend voorbeeld van hoe snel een (schijn)democratie kan verworden tot een dictatuur wanneer het democratische proces niet wordt beschermd. Soms zijn daarvoor kunstgrepen nodig: volgens het Burgerlijk Wetboek artikel 2:20 kunnen antidemocratische partijen door de rechter worden verboden. Antidemocratische partijen zijn meestal extremistische partijen die vanuit een gevaarlijk onbetwijfelbare overtuiging handelen.

Onzekerheid van vertegenwoordigers en vertegenwoordigden is een voorwaarde voor democratie. Om het verband tussen democratie en onzekerheid te kunnen begrijpen, moeten we de filosoof J.S. Mill raadplegen. Mill verdedigde het liberalisme waar moderne democratieën op zijn gebouwd, vanuit het argument dat niemand de waarheid in pacht heeft en het belangrijk is om door continue vrije en open discussie bestaande inzichten te herzien. Het is niet toevallig dat Mill zich afzette tegen de onbetwijfelbaarheid van religieuze instituties. De politieke mens zal moeten leren leven met het idee dat zijn ooit rotsvaste overtuigingen, achteraf soms tijdelijke bevliegingen blijken te zijn. Zo zag ik vier jaar geleden op het Rode Plein in Moskou een bejaarde man het communisme prediken. Hij was verworden tot een toeristische attractie.

Mijn betoog moet culmineren in het verdedigen van een levenshouding van twijfel en onzekerheid, zowel privé als ook in het publieke politieke debat.

Eerder beschreef ik dat de populariteit van het zekerheidsdenken goed te begrijpen is. Het is lastig om er afstand van te nemen. Kijken we naar het Engels secure, dan is dat etymologisch te herleiden tot het Latijnse securus, dat ‘zonder zorgen’ betekent. Het is lastig om te leven met onzekerheid, het geeft in het begin een hoop gepieker en zorgen. Zekerheid heeft ook iets romantisch, we associëren het met idealen en bevlogenheid. Maar door die romantiek moeten we heen prikken. Het zou de ‘rode dominee’ Willem Banning – die een ideologisch bevlogen socialist en diep religieus mens was – hebben gestoken. Het stak mij in het begin ook. Maar vanzelf maakt zekerheid plaats voor waarschijnlijkheid en pragmatisme. Waarschijnlijkheid of probability komt van probare (Latijn): testen, onderzoeken. Zo moet er met politieke ideeën worden omgegaan. Ze worden getest in debatten, waar onzekerheid een voorwaarde voor is: wie kan er debatteren als hij alles al zeker weet? Het schrikbeeld van democratie zijn de discussies in het tv-programma Het (Nieuwe) Lagerhuis: deelnemers eraan zijn zo overtuigd van zichzelf dat ze hun ideeën nooit testen en herzien.

Hoewel ik ook in de privésfeer scepsis wil verdedigen, zou ik geen liberaal zijn als ik mensen zou verbieden onbetwijfelbare private overtuigingen te hebben. De uiterste consequentie van mijn voorgestelde houding is wél dat mensen uitgesloten worden van het democratische debat, als ze hun persoonlijke overtuigingen in het politieke domein niet willen opgeven. Dat moet gebeuren zonder onderscheid naar politieke kleur of religie. Dit lijkt een moeilijke opgave, maar het pragmatisme neemt snel bezit van mensen. De ChristenUnie stapt in een regering die abortus en euthanasie goedkeurt. Toen Jan Marijnissen partijleider van de SP werd distantieerde hij kort daarna zich van zijn vroegere Maoïstische overtuigingen.

Ik bepleit twijfel, maar geen vertwijfeling.

Het kan moeilijk zijn om te leven met onzekerheid, maar het went vanzelf. Niet aan alles hoeft getwijfeld te worden. U kunt nog zo hard betwijfelen dat de trein er daadwerkelijk is, toch raad ik af om er voor te springen. Uiteindelijk geeft onzekerheid het leven smaak. Het is juist de onzekerheid die de ruimte bied om inconsequent te zijn, om te veranderen van gedachten, om je ongelijk toe te geven. Ik kan zonder gewetensnood vandaag iets beweren en morgen het volstrekt tegenovergestelde. De eventuele prijs die je ervoor moet betalen is een verlies van betekenis van ideeën. De winst is dat u zich niet op het sterfbed voor het hoofd hoeft te slaan over in het verleden gekoesterde zekerheden – die achteraf vervlogen idealen blijken.

Sommigen zullen zich afvragen of een onzekere levenshouding niet ongelukkig maakt. Ik vind juist mensen die erg zeker van hun zaak zijn ongelukkig. Ze proberen hun ideeën vaak krampachtig te verdedigen en zijn verontwaardigd als je ze in twijfel trekt. Van Epicurus – die een (gematigde) vorm van hedonisme bepleitte – is een uitspraak overgeleverd die veel lijkt op de volkswijsheid waarmee we begonnen: ‘Over de dood hoeven we ons geen zorgen te maken. Zolang ik er ben is de dood er niet en zolang de dood er is, ben ik er niet.’ De enige zekerheid in het leven in het achterhoofd houdend, valt er nog genoeg te genieten.

Ik zou mijn eigen these ondergraven als ik de hoop uitspreek de lezer te hebben overtuigd van mijn voorgestelde levenshouding. Ik geef het ter overweging mee, maar betwijfel de waarheidswaarde ervan. Is het niet frappant dat de filosoof, die als de grondlegger wordt gezien van al het denken dat na hem is verricht, zich structureel onzeker opstelde? Vrij naar Socrates kunnen we daarom stellen: ‘Ik weet dat ik niets zeker weet’.

maandag 14 januari 2008

Essay Veerstichting 2007

De kudde is dood! Leve de kudde?
Over de schijnbare paradox waarmee nieuwe kuddes ons opzadelen

Enige weken geleden haalde ik geld op voor het astmafonds. Op een van de deuren op mijn pad ontdekte ik een vergeelde sticker van de Nederlandse Vereniging ter Bevordering van de Zondagsrust. Het trof me als koddig. De Christelijke identiteit in Nederland is heden ten dage net als de sticker: ouderwets en oubollig, maar blijft nog even plakken zolang het duurt.

Geen mens maakt zich nog druk om de zondagsrust. Één voor één openen winkels ook op zondag hun deuren, oude kerken verworden zelfs tot nieuwe discotheken. De kerkelijken vallen van hun geloof; controleert u zelf maar bij de plaatselijke parochie. Er komt geen mens meer, behalve met Kerstmis. Dat hoort immers zo.

U zegt dat u behoort tot de uitgebuite arbeidersklasse en hoongelach valt u ten deel. Het aantal sociale voorzieningen in Nederland is zo groot dat menig burger letterlijk niet meer weet waar hij ze moet zoeken.

Van het Paleolithicum tot enige duizenden jaar geleden was de mens een écht kuddedier. Het moest wel als het wilde overleven: een mammoet vel je niet alleen. De kuddes galmden sindsdien nog lange tijd na, in sociale structuren en klassen in de samenleving.

Oud nieuws: de traditionele scheidslijnen in de samenleving zijn weggevallen. Men behoort niet meer tot een groep in de samenleving, of in ieder geval niet tot één groep. TIME benoemt JOU tot persoon van het jaar. Let op, daartoe wordt JIJ alleen gerekend als JIJ over internet beschikt. Individualisme is zo gewoon geworden dat je de betekenis ervan vergeten bent.

Ook voor de politiek gelden oude kuddes intussen niet meer als relevant fenomeen. In de vijftiger jaren stemde 72 % van het electoraat op de partij die hoorde bij de zuil waar iemand toe behoorde, in de 21ste eeuw is dat verminderd tot 31 %. Het heeft zijn betekenis verloren.

De Kudde is dood, leve de Kudde! Zou het?

Als er al nieuwe (massale) kuddes bestaan, dan zijn het virtuele kuddes. Een flashmob komt op een via internet afgesproken tijdstip bij elkaar om iets schijnbaar irrelevants te doen. U spreekt achteraf met uw vrienden en pocht dat u er bij was: u ontleent uw identiteit eraan.

Voor de G8 top komen linkse radicalen massaal bij elkaar, afgesproken werk via internet en mobiele telefoon. De één om – verkleed als bontgekleurd kuiken – invloed uit te oefenen op de wereldpolitiek die structureel arme boeren in Afrika uitbuit, de ander om een verzetje te hebben en stenen te gooien naar de politie.

De nieuwe kuddes kennen diffuse grenzen. De individuen die er deel van uitmaken hebben elk een eigen motief om zich erbij aan te sluiten en zich er snel weer vanaf te wenden. De transactiekosten hiervoor zijn lager dan ooit.

Wat is de kracht van nieuwe kuddes? Het kan paradoxaal worden genoemd dat in deze tijden waarin technologie en media het mogelijk maken sneller dan ooit een kudde te mobiliseren, de kudde steeds minder betekenis krijgt. Ik vind het persoonlijk vanzelfsprekend en geruststellend.

(Oude) kuddes zijn potentieel gevaarlijk. Het is een bekend gegeven in de groepsdynamica dat groepsdruk mensen aanzet tot handelingen die ze individueel nooit hadden verricht. Zie hiervoor op kleine schaal Zimbardo’s Prison Experiment en op grote schaal de slachtingen op de Tutsi’s in Rwanda. In dit laatste geval werden de Hutu’s weliswaar opgestookt via de radio, maar hun groepsidentiteit was etnisch – en dus oud.

De nieuwe kuddes zijn niet erg gevaarlijk (‘nieuwe individuen’ – bijvoorbeeld home grown terrorists overigens des te meer). Dat heeft te maken met de reeds genoemde lage transactiekosten, waardoor de economie en politiek de kuddes nog slechts tijdelijk kunnen gijzelen voor hun gewin.

De ene dag wordt de bedenker van de Flippo’s rijk (kent u ze nog?), de andere dag de herontdekker van de Wuppie: bekent u maar, beiden liggen bij u in het rommelhok. Niks om u voor te schamen overigens. Nog zo iets: U stemde in 2002 op Pim Fortuyn, een rechtse homoseksueel. In 2006 koos u voor de SP, voormalige Maoïsten. Het kan verkeren.

De gammawetenschappen – traditioneel gericht op algemene trends en kuddes – hebben het moeilijk en sjokken uitgeput achter de ontwikkelingen aan. Zo kent de politicologie intussen tientallen, zo niet honderden, verklaringen voor stemgedrag. Deze variëteit is niet meer te behappen. De neuropsychologie en neurologie – die gedrag op individueel niveau verklaren – zullen de gammawetenschappen opslokken.

Is dit alles erg vraagt u zich af? Het antwoord is ja en nee.
Ja, wanneer u nostalgisch bent en terugverlangt naar Martin Luther King’s I have a dream redevoering en Ban de Bom demonstraties op de Dam. Ik geef toe, er hing iets in de lucht.
Nee, wanneer u niet tegenstribbelt en het over u heen laat komen. Het went vanzelf.

Wel snel nog even internet aanschaffen voordat TIME Magazine de volgende persoon van het jaar benoemt, dan hoort u er op het nippertje nog bij!

dinsdag 4 december 2007

Essay duurzame globalisering - Inzending VNO-NCW essaywedstrijd

Maak ondernemen mogelijk! Over duurzame globalisering door ondernemende immigranten.


Toenemende globalisering betekent dat ontwikkelingen over de gehele wereld in steeds grotere mate op elkaar ingrijpen. Het gaat onder andere over toenemend verkeer van geld, goederen en mensen tussen landen. Eerlijke globalisering impliceert écht vrij verkeer. Om dat te bewerkstelligen voor geld en goederen is zeer moeilijk, zo toont ons de moeizame werking van de WTO en aanverwante organisaties. Ervoor zorgen dat het toenemend aantal mensen dat migreert in hun nieuwe land een succesvol bestaan op kan bouwen is echter de grootste uitdaging. Hooggeschoolde mensen zijn welkom als kenniswerkers, laaggeschoolden zijn dat niet. Toch zijn landen die hun grenzen voor hen proberen dicht te gooien achterhaald en bovendien ineffectief bezig. Immigranten komen toch wel binnen en belanden dan vaak in de illegaliteit. Of het nu Polen in Nederland, Tunesiërs in Spanje of Mexicanen in de Verenigde Staten betreft, deze ontwikkeling is wereldwijd waarneembaar.

Als mensen migreren uit hun thuisland op zoek naar een beter leven en een betere toekomst, willen ze dat vaak doen door middel van het ondernemerschap. De uitstekende ‘Monitor Allochtoon Ondernemerschap’ van onderzoeksinstituut EIM laat zien dat de percentages ondernemers onder autochtonen en allochtonen in Nederland in steeds grotere mate aanzienlijk verschillen in het voordeel van de laatste groep. Het feit dat ze bereid zijn huis en haard te verlaten en alles op te geven voor een beter bestaan doet dat reeds vermoeden. Doordat de positie van immigranten op de arbeidsmarkt gemiddeld genomen slecht is moeten ze vaak wel ondernemen. In dat geval is duurzaamheid de omstandigheden en mogelijkheden scheppen waardoor ondernemerschap optimaal mogelijk is. Op dit moment zijn die mogelijkheden er nauwelijks. Geïmmigreerde ondernemers ondervinden vele barrières bij het opstarten van hun bedrijf. De twee grootste barrières zijn een gebrek aan startkapitaal en het vastlopen in het proces van vergunningverlening voor het opstarten van een onderneming. De overheid heeft helaas een blinde vlek voor deze problemen, met alle gevolgen van dien. Juist door de problemen van immigranten en vergelijkbare kwetsbare groepen in de samenleving te onderkennen, kunnen overheid en bedrijfsleven dieperliggende en structurele tekortkomingen aangrijpen. Talloze oer-Hollandse ondernemers ondervinden precies dezelfde barrières.

Het stimuleren van ondernemerschap is niet alleen belangrijk vanuit een economisch perspectief, maar ook vanuit een sociaal perspectief. Ondernemende immigranten – en ook latere generaties – creëren diversiteit in wijk en samenleving, functioneren als rolmodellen en bieden andere immigranten arbeidsplaatsen die ze node missen op de reguliere arbeidsmarkt. Voor wie denkt dat immigranten blijven steken in traditionele branches (met als welbekend stereotype de shoarmazaak); er is een duidelijk verschuiving waar te nemen naar andere sectoren, zo blijkt uit de Monitor Allochtoon Ondernemerschap. Dat politici ondernemerschap willen stimuleren maken ze op retorische wijze voldoende duidelijk, toch denken zij nog te beperkt en doen ze te weinig. Om iets te doen aan de twee genoemde grote barrières zijn instrumenten beschikbaar. De eerste barrière kan worden geslecht door het vergroten van toegang tot krediet. Bijvoorbeeld door middel van microkrediet; een goed voorbeeld van hoe globalisering best practices razendsnel wereldwijd kan verspreiden. Oorspronkelijk gestart in Bangladesh, ontvangen inmiddels meer dan 120 miljoen mensen wereldwijd microkrediet en zijn recentelijk ook in Nederland microkrediet projecten opgestart. De tweede barrière kan worden geslecht door enerzijds het proces van vergunningverlening te vereenvoudigen en anderzijds immigranten te helpen een bedrijf op te zetten. Dat eerste is ook goedkoper voor de overheid. De onlangs ingevoerde internetmodule Horeca1 vermindert administratieve lasten voor Amsterdamse horecaondernemers, zodat ondernemers en gemeente beiden 1500 euro besparen. Bovendien wordt het aanvragen van de benodigde vergunningen veel eenvoudiger. Frappant is dat in Singapore al jaren een voorloper van Horeca1 bestaat. Dat het de moeite loont immigranten te helpen bewijst een groep succesvolle Somalische ondernemers die vanuit Nederland in de jaren ’90 naar Leeds, Verenigd Koninkrijk, zijn verhuist vanwege een positiever ondernemersklimaat. Dat is de ironie van globalisering: de ontwikkelingen gaan zo snel, dat wanneer de overheid maatregelen neemt, die vaak al bij invoering te laat blijken te zijn – als er überhaupt iets wordt gedaan.

De conclusie is dat duurzaamheid niet duur hoeft te zijn. Integendeel juist, het kan zelfs geld veel opleveren. Op de lange termijn echoën de effecten van een duurzame economie door in de gehele samenleving. De Nederlandse overheid dient zich dan wel realiseren dat het nú het potentieel ondernemerschap dat in de samenleving zit moet benutten. Dan, en alleen dan maakt zij duurzame globalisering mogelijk. Als politiek, overheid en bedrijfsleven nu niet handelen en hun voornemens vooral bij goede bedoelingen laten, dan zullen zij daarvoor een hoge prijs betalen. Dit geldt niet alleen voor de Nederlandse overheid, maar voor alle overheden ter wereld. Één troost: hoewel de problemen universeel, zijn de oplossingen dat gelukkig ook.