Posts tonen met het label Columns Over Het Openbaar Bestuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Columns Over Het Openbaar Bestuur. Alle posts tonen

dinsdag 26 januari 2010

Columns Over Het Openbaar Bestuur (2)

Dienstverlening of dienstplicht?

Op de website van de gemeente Zeist lezen we dat haar inwoners voortaan begrijpelijke brieven gaan ontvangen:

De gemeente Zeist wil de dienstverlening aan haar inwoners verbeteren. Daarom starten we met het project Bouwen aan Brieven. We willen inwoners van Zeist uitnodigen om mee te schrijven aan de brieven van de afdeling Vergunningen en Handhaving. Want wie kan ons beter vertellen of een brief duidelijk genoeg is en prettig van toon, dan de ontvanger (de inwoners van Zeist) zelf?

Klinkt nobel: de gemeente Zeist is zo aardig de dienstverlening aan haar inwoners te willen verbeteren.

Maar wat betekent dat woord eigenlijk: dienst?

dienst de; m -en 1 het dienen: buiten ~ zijn niet werken, niet beschikbaar zijn 2 het dienen als militair […] 5 handeling waarmee men iemand van nut is: iemand een ~ bewijzen

Oh jee. De gemeente Zeist heeft de boel te rooskleurig voorgesteld. Burgers een begrijpelijke brief sturen, dat is geen dienstverlening. Dat is dienstplicht.

Waarom vraagt u?

Stel je voor dat een bakkertje zijn witte en bruine broden onder dezelfde naam zou verkopen. Dat is niet begrijpelijk. Één keer met bruin brood thuiskomen terwijl je wit wilde, vooruit. Maar na de vierde keer is de lol eraf.

Attendeert de klandizie het bakkertje vervolgens op zijn verwarrende taalgebruik. En verandert het bakkertje vervolgens de namen van zijn brood. Noemen we dat dan dienstverlening? Of noemen we dat dan gezond verstand?

Ik stel voor dat de gemeente Zeist de tekst op haar website als volgt verandert:

De gemeente Zeist wil haar dienstplicht aan haar inwoners nakomen. Daarom starten we met het project Bouwen aan Brieven.

Ook wil de gemeente Zeist haar dienstverlening verbeteren. Daarom wordt u voortaan aan het loket vrolijk toegelachen door de baliemedewerker.

maandag 12 oktober 2009

Columns Over Het Openbaar Bestuur (1)

De gemeente Baarn is Reviaan
Van de column "de gemeente Baarn is Reviaan" heb ik twee versies gemaakt, ieder hopelijk in zijn eigen recht de moeite waard om te lezen. Ik kon niet kiezen, en hoor graag welke versie beter is.

VERSIE 1

Als kind las ik met veel plezier de Donald Duck: ‘een vrolijk weekblad’. Als volwassene lees ik met veel tegenzin het Binnenlands Bestuur: ‘een onafhankelijk weekblad voor ambtenaren en bestuurders bij de overheid’.

‘Hè, nu niet zo jongen’, zou mijn lieve moeder zeggen. En gelijk heeft ze. Ik ben bestuurskundige, en stand verplicht. Bovendien moet men zich ervan verzekeren “over de lopende zaken te kunnen meepraten”. Zou Gerard Reve zeggen.

Dus ik pak mezelf samen. En wat schetst – eenmaal bij de personeelsadvertenties aanbeland – mijn verbazing? Ook de gemeente Baarn kent het werk van Reve. Want wat lezen we in de koptekst van de Baarnse personeelsadvertentie?

wij zoeken “mensen die er uit halen wat er in zit” v/m

Hoe dit nu te interpreteren? De Baarnse copywriter is toch zeker wel op de hoogte van Reviaanse ironie? Hij begrijpt toch wel dat hij met zijn dubbele haken potentiële Baarnse gemeenteambtenaren afschildert als levensmoede grijze muizen?

Of misschien begrijpt hij het niet. Of misschien kent hij het werk van Reve toch niet.

Maar dat is onwaarschijnlijk. Want linksonder op de advertentie staan een paar verdwaalde regels die niets anders zijn dan Katholieke poëzie:

In onze manier van werken schuilt de grootste uitdaging.
Dat is samenwerken met de samenleving.
Waar de dialoog gezocht wordt met alle betrokkenen.
Waar uitgegaan wordt van de kracht en de kwaliteiten van het individu.
Bij een organisatie die eruit wil halen wat er in zit.

(Amen)

Bovenaan de personeelsadvertentie een foto van een guitig lachende vrouw. Ze is gekleed in iets wat lijkt op een overgooier. En ze heeft een ketting om. Zou het de burgemeester zijn? Zou de burgemeester “er uit halen wat er in zit”?

En hoe zou Reves personeelsadvertentie eigenlijk luiden? Vermoedelijk als volgt:

wij zoeken "buitenkansjes voor het soort dat er van houdt" m/m

Zou Reve ooit in Baarn zijn geweest?

---

VERSIE 2

Als kind las ik met veel plezier de Donald Duck: ‘een vrolijk weekblad’. Als volwassene lees ik met veel tegenzin het Binnenlands Bestuur: ‘een onafhankelijk weekblad voor ambtenaren en bestuurders bij de overheid’.

‘Hè, nu niet zo jongen’, zou mijn lieve moeder zeggen. En gelijk heeft ze. Ik ben bestuurskundige, en stand verplicht. Bovendien moet men zich ervan verzekeren “over de lopende zaken te kunnen meepraten”. Zou Gerard Reve zeggen.

Dus ik pak mezelf samen. En wat schetst – eenmaal bij de personeelsadvertenties aanbeland – mijn verbazing? Ook de gemeente Baarn kent het werk van Reve. Want wat lezen we in de koptekst van de Baarnse personeelsadvertentie?

wij zoeken “mensen die er uit halen wat er in zit” v/m

Hoe dit nu te interpreteren? De Baarnse copywriter is toch zeker wel op de hoogte van Reviaanse ironie? Hij begrijpt toch wel dat hij met zijn dubbele haken potentiële Baarnse gemeenteambtenaren afschildert als levensmoede grijze muizen?

Of misschien begrijpt hij het niet. Of misschien kent hij het werk van Reve toch niet.

Maar dat is onwaarschijnlijk. Want linksonder op de advertentie staan een paar verdwaalde regels die niets anders zijn dan Katholieke poëzie:

In onze manier van werken schuilt de grootste uitdaging.
Dat is samenwerken met de samenleving.
Waar de dialoog gezocht wordt met alle betrokkenen.
Waar uitgegaan wordt van de kracht en de kwaliteiten van het individu.
Bij een organisatie die eruit wil halen wat er in zit.

(Amen)

Werpe men nog andermaal een blik op de koptekst van de Baarnse personeelsadvertentie, dan valt op dat er v/m staat – en niet m/v. Zoeken ze bij voorkeur een vrouw? Het staat er niet expliciet, maar vanaf een illustratieve foto lachen meer vrouwelijke dan mannelijke gemeenteambtenaren de lezer toe.

“Dat is goed voor de gender balance”. Ik hoor het hem zo zeggen, de Baarnse human resource manager. Excuus. Human Resource Manager.

En natuurlijk staat er een allochtoon op de foto. Wat zeg ik, er staan twee allochtoonen op de foto. En een guitig lachende vrouw, gekleed in iets wat lijkt op een overgooier. En gelukkig – gelukkig – staat er ook een typische gemeenteambtenaar op de foto: geruit overhemd, te ruim jasje, handen in de zakken. Hij heet vast Henk (“handen uit de zakken, Henk”).

En wat zoeken ze precies bij de gemeente Baarn? Een controller. Wat zou dat zijn, een controller? Een controleur? Bij mijn grootouders kwam vroeger ook een controleur over de vloer. Zijn werktenue was geheel zwart met witte boord. Hij kwam regelmatig controleren ‘of Gods werken nog voldoende ten uitvoer werden gebracht’. Zou het zo’n controleur zijn?

Maar welnee, dit is anders. Lees maar:

In deze functie ben je voor het managementteam en het bestuur een belangrijke adviseur op het gebied van bedrijfsvoering en financiën.

Zo cryptisch. Haast literair. Ik vraag ik me af: Zouden het managementteam en het bestuur zich ook wel eens bedienen van onbelangrijke adviseurs?

En hoe zou Reves personeelsadvertentie eigenlijk luiden? Vermoedelijk als volgt:

wij zoeken "buitenkansjes voor het soort dat er van houdt" m/m

Zou Reve ooit in Baarn zijn geweest?

---

(zie hieronder de betreffende personeelsadvertentie van de gemeente Baarn; erop klikken geeft een groter formaat)

zondag 24 mei 2009

Inzending B&A columnwedstrijd LCB 2009

Met je poten in de klei
Over bestuurskundig v(erh)ullen van begrippen

Het begrip ‘good governance’ is bovenal een spitsvondige alliteratie. Een containerbegrip, dat sinds de introductie door de Wereldbank (1989) nog steeds het grootst mogelijke risico voor bestuurskundigen in zich draagt: te vervallen in verhullend taalgebruik.

Met stelligheid zeggen we: ‘good governance’ is legitimiteit, rechtmatigheid, effectiviteit en integriteit – soms conflictueus, maar liefst in balans.

Ronkende woorden.

Vergelijk een VN conferentieposter: ‘Sustainable empowerment of the poor in a globalized world: dedication to good governance at the dawn of the 21st century’.

Beleidsporno.

Tenzij.

Tenzij de verhullende ledigheid van de begrippen wordt opgevuld.

Maar hoe dan?

Een hint. Good governance laat zich vertalen als goed bestuur. Dat doet denken: naast de samenleving moeten ook auto’s goed bestuurd worden. Een verkoper van tweedehands auto’s vertelt je over het aantal PK’s, wegligging en acceleratie. Met hetzelfde gemak praat de bestuurskundige over de 5 V’s, implementatie en efficiency. Maar waar het werkelijk om gaat is de vraag: werkt het ding?

Zoals de motor geïnspecteerd moet worden om te kijken of de koppeling aangrijpt, zo zal de bestuurskundige zijn handen vies moeten maken. Onderwijl vraagt hij zich continu af: Wat gebeurt hier eigenlijk? Wie doet wat? Kan ik het vastpakken?

Bedenk: een Nederlands multi-probleem gezin besteed drie dagen per week aan 25 organisaties te woord staan. Allen ‘helpen’ zij hetzelfde gezin, maar dat weten ze van elkaar niet. De bestuurskundige vraagt verwonderd: ‘Wat nu? Goed bestuur promoten? Beleidskaders stellen?’ ‘Nee’, wordt er geantwoord, ‘kaders zijn dingen om schilderijen mee te omlijsten’. De bestuurskundige vraagt nogmaals, aux serieux: ‘wat te doen?’ ‘Je zou het aan het gezin kunnen vragen. Zij zitten er tot hun nek toe in’, luidt het antwoord. De bestuurskundige zwijgt even, en vraagt: ‘Bedoel je interactieve beleidsvorming?’ ‘Deconstrueer de terminologie’, klinkt het tot slot, ‘gebruik je boerenverstand’.

De bestuurskundige krijgt een twinkeling in zijn ogen en rijmt: ‘de praktijk is zo rijk, daar hoeft geen jargon aan te pas te komen. Geen spitsvondige alliteraties, wel een ouderwets Hollands cliché. Good governance is: met je poten in de klei.’

Er wordt instemmend geknikt.

dinsdag 27 mei 2008

Inzending B&A columnwedstrijd - LCB 2008

Het Weena en de zelfvernietiging van de risicosamenleving

Waarschijnlijk kent u het Weena wel. Het is een prominente straat in Rotterdam met bijzondere architectuur waaronder de Millenniumtoren. Als u een congres bezoekt in congrescentrum de Doelen kunt u een kamer huren in het 5-sterren hotel Westin in die Millenniumtoren. Dat kost een vermogen, maar dan kunt u dan wel via een loopbrug naar het Congrescentrum de Doelen lopen, zodat u geen moment naar buiten hoeft.

Dat is maar goed ook, want Milieudefensie riep in 2007 het Weena uit tot de straat met de slechtste luchtkwaliteit van Nederland. Mensen die wonen aan het Weena lopen daardoor een aanzienlijk gezondheidsrisico. Jaarlijks sterven in Nederland 18.000 mensen 10 jaar eerder door luchtvervuiling, voornamelijk door deeltjes fijnstof die door verkeer en industrie worden geproduceerd.

In zijn boek Risikogesellschaft (1986) schreef de Duitse socioloog Ulrich Beck voor het eerst over de laatmoderne risicosamenleving, waarin niet meer de logica van welvaartverdeling maar de logica van risicoverdeling centraal staat. Voor een groot deel zijn die risico’s het gevolg van industrialisatie en moderne technologie en zijn ze direct gevolg van menselijk handelen.

Het Weena lijkt de stelling van Beck te bevestigen. In steeds grotere mate ondervinden we de risico’s van welvaartgroei. De toekomstige verdeling van die risico’s baart mij grote zorgen. Iedereen weet immers hoe ongelijk welvaart (inter)nationaal is verdeeld. Helaas weet iedereen ook hoe slecht overheden en burgers erin slagen welvaart te herverdelen. WereldBank, VN en IMF wijzen erop dat de armoede en ongelijkheid wereldwijd ongekend groot is en nog steeds groeit.

Laten wij de welvaartverdeling als serieuze precedent opvatten en het besef ontwikkelen dat er veel moet worden gedaan om zelfvernietiging van de risicosamenleving te voorkomen.

Als u het voorgaande pessimistisch vindt klinken, bedenk dan dat risico’s net als welvaart ook ongelijk zijn verdeeld, maar op een radicaal andere manier. Al Gore’s Inconvenient Truth leert ons dat als de – door industrialisatie gedreven – klimaatverandering doorzet het rijke Nederland net zo goed als het straatarme Bangladesh onder water zal verdwijnen. Dan verandert een hotelkamer hoog in de Millenniumtoren van een luxe in bittere noodzaak om te overleven. Ik hoop dat we het zover niet laten komen.

dinsdag 20 mei 2008

Inzending columnwedstrijd 4 en 5 mei comité

De woorden van de prins

Hoe je het ook wendt of keert, de huidige opstand in Tibet gaat over vrijheid: vrijheid van onderdrukking. In navolging van de rest van de wereld heeft prins Willem Alexander, bij monde van de Rijksvoorlichtingsdienst, nu ook een mening over Tibet: ‘De Prins van Oranje maakt zich, net als iedereen, zorgen over de ontwikkelingen in Tibet. Hij is van mening dat er moet worden gestreefd naar een vreedzame oplossing, met respect voor de mensenrechten, waarbij rekening moet worden gehouden met de positie van alle bevolkingsgroepen.’ Je proeft in deze woorden dat ze stuk voor stuk op een gouden diplomatiek schaaltje zijn gewogen. De woorden van de prins maken ons twee dingen duidelijk: ten eerste is het opleggen van vrijheid onmogelijk geworden en ten tweede is vrijheid verworden tot een cliché. Ik zal uitleggen hoe.

‘Mag je vrijheid aan anderen opleggen?’ is een vraag die je jezelf kunt stellen, hoewel het een zinloze vraag is. De vraag is zinloos omdat vrijheid afwezigheid van dwang betekent en iemand iets opleggen juist de aanwezigheid van dwang impliceert. Je kunt dus nooit vrijheid opleggen. Wat je wél kunt doen is mensen die anderen in hun vrijheid beperken dwingend corrigeren of uit de weg ruimen. En juist daartoe zijn wij Nederlanders niet meer in staat. Uit de woorden van de prins spreekt angst, onwil en onvermogen om vuile handen te maken voor het grotere goed. Vrijheden creëren betekent offers brengen, want zij die onderdrukkingsmacht hebben zullen die nooit vrijwillig uit handen geven. Om diplomatieke, economische of zelfs sportieve redenen zijn wij niet meer bereid offers te brengen. Daarom leggen wij het af tegen dictators, die zich nooit de vraag zullen stellen of ze wel met geweld en censuur hun dictatuur aan het onderdrukte volk mogen opleggen.

Ik sprak in de vorige paragraaf over het grotere goed. Ik doelde daarmee natuurlijk op vrijheid. Het aardige van vrijheid is dat het nauwelijks abstract is. Natuurlijk kan je een academische discussie voeren over wat vrijheid is, maar in de praktijk is het iedereen direct duidelijk. Er bestaat niet zoiets als ‘een beetje vrijheid’. Vraagt u maar aan dissidente journalisten die hun leven wegkwijnen in de gevangenis wat vrijheid eigenlijk is, en hoeveel vrijheid een mens nodig heeft. Toch is voor ons vrijheid verworden tot één van onze waarden die moet concurreren met economisch gewin en diplomatieke betrekkingen – en dan vaak het onderspit delft. Het begrip vrijheid is gereduceerd tot een holle frase die het goed doet tijdens lezingen en debatten. Maar vrijheid is niet meer iets waar we noodzakelijke offers voor willen brengen, niet eens een sportevenement. Het doet me pijn dit te zeggen, maar hiermee is vrijheid effectief verworden tot een cliché.

Ik zag op de website van het Nationaal Comité 4 en 5 mei een uitspraak van de prins staan, die hij deed op 5 mei 2005: ‘Echte vrede en echte vrijheid bestaan pas, als ook die permanente angst voor oorlog en onvrijheid is verdwenen. Daar ligt vandaag onze uitdaging.’ Met de uitspraak over Tibet in het achterhoofd herlezen we die woorden en vragen ons af: beste prins, wat is er in de afgelopen drie jaar gebeurd met die uitdaging?