Politici en logica: ongemakkelijke partners
Politiek en logica zijn nooit vrienden van elkaar geweest. Ongemakkelijke partners zogezegd. Dat het een goed huwelijk zou moeten zijn is academisch en modernistisch, toegegeven. Ik ben me er volledig van bewust dat de waarheid altijd in het midden ligt en politiek – en dan vooral het politieke debat – een retorisch spel is. Maar laat ik voordat ik verder praat een paar voorbeelden noemen om te verduidelijken wat ik bedoel:
Meestal gaat het tarten van de logica op subtiele wijze. Zoals staatsecretaris mevr. Ross- van Dorp die de kamer meedeelde dat het haar ‘ persoonlijk verantwoordelijk mocht stellen’ voor het wegwerken van de wachtlijsten. Vriendelijk bedankt dat dat mag, dat lijkt me toch gewoon de functie van de Kamer. Bovendien, bij mijn weten wordt nooit de persoon maar het instituut minister verantwoordelijk gesteld voor gevoerd beleid.
Of dan haar collega Hoogervorst die zei na invoering van het nieuwe ziektekostenstelsel: ‘Ik zal mijn verantwoordelijkheid nemen voor het gevoerde beleid’. Gek eigenlijk, want die verantwoordelijkheid kun je niet nemen, die heb je als minister altijd al, van begin tot eind. Daar valt niets aan te nemen of geven.
Dan zijn er nog de makkelijkere prooien. Één ervan is natuurlijk George W. Bush, die tijdens de presentatie van het nieuwe Amerikaanse defensiebudget in 2006 zei: ‘The terrorists will not stop thinking about new ways to harm our country, and neither will we.’ Toegegeven een Bushism, maar opvallend was dat niemand ook maar met zijn ogen knipperde toen hij dit zei.
Jacques Tichelaar – sowieso een goede als het gaat om onmogelijke redeneringen: een soort Nederlandse George Bush – reageerde in een debat op kritiek dat de PVDA als regeringsdeelnemer geen onderzoek meer behoefde naar de oorlog in Irak. Hij zei het volgende:’ Mijnheer de voorzitter, ik heb reeds gezegd dat de PVDA geen onderzoek naar de Irak oorlog meer zal uitvoeren, gewoon omdat we dat hebben afgesproken. Ik weet dat dat geen argument is, maar u vraagt mij om argumenten, dus dan kan u ze krijgen ook.’
Ik had geen tijd om meer voorbeelden te verzamelen, maar u kent er zelf ongetwijfeld nog legio. Al deze politici zullen zo hun redenen hebben voor deze uitspraken, waar ik niet mee weg kom in een tweedejaars werkgroep filosofie, maar het is wat mij betreft exemplarisch voor de manier waarop politici taal gebruiken: op een lichtzinnige manier. En misschien wel verontrustender vind ik het gemak waarmee ze dit doen.
Ik maak me geen illusies en vier jaar politicologie studeren hebben me zeg maar gerust wat cynisch gemaakt: politiek gaat om zetelwinst. Simplisme en het daarbij behorende taalgebruik is de snelste manier om dat te bereiken. Toch steekt het af en toe, de manier waarop politici taal gebruiken – of liever gezegd misbruiken – en een soort werkelijkheid creëren waarover zich men buiten het binnenhof vaak in verwarring achter de oren moet krabben.
Paradoxaal genoeg begrijpt jan de burgerman van al die formuleringen ook niets. Om het verschil in begripsniveau te illustreren: een bevriende gemeenteambtenaar kreeg laatst van een echte Hagenees de volgende reactie op zijn plannen: ‘Luister es. Ik lees hier dat ze een topsportlocatie willen bouwen in het Zuiderpark. Dan denk ik bij m’n eige: is een gewone Haagse jongen ook nog welkom is in het zuiderpark, of mot die soms ook aan topsport doen.’ Een fraai staaltje volkswijsheid maar nu ik er over nadenk verschilt deze logica niet erg van sommige genoemde voorbeelden.
Ik kan ronduit zeggen dat ik gruwel van de term kloof tussen politiek en burger. Het is een nietszeggende term. Ik weet niet of die kloof er is, en ook niet of het slecht dat het hij er is, als hij er blijkt te zijn. Ik weet alleen dat er in Nederland weinig bergen zijn, laat staan kloven waar je in kan vallen. Laten we wel wezen: het zal 90% van de bevolking niet uitmaken op welke manier politici de logica tarten, als ze weten wie de lijsttrekker is van de grootste partij op dat moment is het al heel wat. Voor de zogenaamde ‘kwaliteit’ van de democratie zal het dus niet veel verschil maken wat politici zeggen.
Die 10% die dan nog rest, waaronder ik mijzelf dan maar schaar, maakt zich vooral bezorgd over de vraag of het dan in algemene zin zo is dat Anything goes in de politiek. Soms zit het mee, soms zit het tegen. Om het bijvoorbeeld te betrekken op het vraagstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid haal ik Ed van Thijn erbij, die verzucht in zijn boekje de sorry-democratie: ‘Het feit dat er geen formele regels zijn voor het beoordelen van ministeriële verantwoordelijkheid, betekent toch niet dat er geen algemene criteria te formuleren zijn voor het wegsturen van ministers’ Helaas voor meneer van Thijn. Wederom te modernistisch gedacht. Keer op keer blijkt dit niet zo te zijn. Gerrit Braks – een zwaargewicht en jullie waarschijnlijk welbekend – moest eens aftreden omdat ik citeer volgens kamerleden ‘zijn strippenkaart op was’. Daar hielp geen rapport meer aan, argumenten waren zinloos. Braks hield de eer aan zichzelf.
Mevrouw Verdonk voegt nog een nieuwe dimensie toe aan de strijd met de logica. Zij zei ooit haar verantwoordelijkheid te nemen niet door af te treden, maar door op te treden. Daarmee heeft ze bereikt wat logici nimmer is gelukt, ze heeft het non-contradictieprincipe doorbroken: als A is A, dan kan ook niet-A A zijn. Het blijkt dat aftreden en optreden gelijktijdig identiek zijn aan verantwoordelijkheid nemen. De bedenker van dit principe Leibniz draait zich om zijn graf.
Vorige week hoorde ik Gerd Leers op tv zeggen dat Geert Wilders met zijn teksten niet eens meer een poging doet te refereren aan de waarheid. Daar zou hij wel eens gelijk in kunnen hebben. In dat geval zou politiek niet alleen een loopje nemen met de logica, maar zelfs verworden zijn tot iets wat de filosoof Wittgenstein een ‘language game’ – in goed Nederlands een taalspel – noemt. Werkelijkheid en taal staan volgens hem volledig los van elkaar en kunnen ook willekeurig gebruikt worden.
Een fascinerend voorbeeld van Wittgenstein wil ik u in dit verband niet onthouden. Twee mannen voeren op een hotelkamer een gesprek. In de kamer boven hen speelt een pianospeler Chopin, in de kamer beneden hen staat een man met een drilboor te drillen. De ene man zegt: ‘Ik zou willen dat die herrie ophoudt’, waarop de andere man naar beneden loopt om de drilboor te laten ophouden. Als hij terugkomt vraagt de man: Wat heb je gedaan? Ik bedoelde de pianospeler.
Concluderend: politiek en meer specifiek het politieke debat is per definitie een kwestie van retorica met al zijn eigenaardigheden. Ik zou echter willen dat dit niet hoeft te betekenen dat een loopje wordt genomen met de logica.
Maar waar heb ik het over: Socrates klaagde vele eeuwen geleden al over de Sofisten die iedereen die er maar voor wilde betalen trucjes leerde om recht te praten wat logisch gezien krom was. En zo kan het gebeuren dat aan het eind van elke dag politici en de logica na een langdurige ruzie naast elkaar in bed gaan liggen en zich uitgeput naar de eigen kant van het bed rollen, intussen verzuchtend: ach, je begrijpt me gewoon niet.
maandag 24 december 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten