Een slecht verhaal
Over de onverklaarbare ondergang van religie zoals gevoeld door Peter Kasbergen
De familie van mijn moeder kent nog drie levende generaties: de oudste generatie is die van mijn strenggelovige protestantse grootouders, de jongste die van mijn goddeloze broer. Daartussenin zit mijn moeder zelf, die trouw de dorpskerk frequenteert. Mijn vader heeft naar eigen zeggen als misdienaar op het internaat zoveel tijd in kerken doorgebracht, dat hij sindsdien alleen de verplichte Kerst-mis bijwoont.
Ik kan mijzelf niet religieus noemen, hoewel ik in mijn opvoeding veel van de katholieke en protestantse wereld heb meegekregen. Misschien is het juist daarom verkeerd gegaan: twee geloven op één ouderlijk kussen. Maar ik denk het niet. Er is iets sterkers mee gemoeid: ik merk dat ik probeer mijn moeder van haar geloof te praten. Ik merk ook dat het mijn opa zwaar valt dat mijn neefje onder invloed van mijn seculiere oom alleen ‘gelooft’ wat hij met zijn eigen ogen ziet. Het feit dat ik gedoopt ben, geeft mijn grootouders rust. Toch wringt het tussen de generaties.
Deze generatieverschillen refereren aan vervlogen – maar geen onbelangrijke – tijden. De crisistijd, de verwoestende Tweede Wereldoorlog waarin het ‘absolute kwaad’ zich manifesteerde, en de grijze naoorlogse vijftiger jaren: het waren tijden voor rotsvaste religieuze overtuigingen. Iedereen behoorde tot een zuil. Vanaf de jaren ’60 zette de bevrijding in – maar volgens anderen juist het verval – die de religie zwaar op de proef stelde. Spiritualiteit kwam plots niet meer vanaf de kansel, maar uit een waterpijp. Mijn tijd, de jaren ’90 en verder, is een tijd waarin religie volledig is weggedrukt door economie consumptie. Ik ben de eerste generatie die tijdens het uitgaan opmerkt dat de discotheek waarin hij zich bevindt een omgebouwde kerk is. De enige zuilen die mijn vrienden nog kennen zijn Dorische, Ionische en Korinthische zuilen.
Vraag is: wat kan ik hier anders doen dan mijn constateringen beschouwen als historisch of sociologisch? Zó was het toen, nu is het zó. Is die beweging dan eenzijdig of circulair? Kan religie zomaar een revival beleven, zoals de skinny jeans uit de jaren ‘80 op het moment weer in de mode zijn? De statistische onderzoeken zijn er niet eenduidig over. Maar dat is niet het punt: hier ligt iets anders aan ten grondslag. Een grote reductie, waar ik mijn vinger toch nog niet op kan leggen. Niettemin doe ik een poging. Daarbij spreek ik voor mijzelf. Hoe zou het anders kunnen?
De oude Grieken kenden tragedie (drama) en komedie (blijspel): in beide gevallen waren de hoofdrolspelers overgeleverd aan de grillen van de goden. Vanaf de presocratici begonnen we in het Westen evenwel de wereld te begrijpen en te beheersen. Wie heden zegt dat hij is overgeleverd aan de goden, doet zich voor als Don Quichot die een klap van de molen heeft gekregen. Ik ben geneigd te zeggen: we leven in een volledig verwetenschappelijkte en ‘techno-logisch’ gestuurde wereld waarbinnen religie een afwijkend verschijnsel is geworden. In een vrolijke tandem hebben de natuurwetenschappen en Darwin gulzig alle natuur gereduceerd tot materie en gedrag. We weten nu: de natuur kent geen ‘zin’ en werkt niet doelmatig. De kliekjes zijn voor de sociale wetenschappen, de letteren en de rechten, die in de marges opererend proberen de mens en zijn creaties op een alternatieve manier te begrijpen.
Voorgaande noem ik de reductie van de ooit goddelijke natuur tot mechanica en darwinisme. Maar all is not lost, toch? Persoonlijk merk je het: de koude rationaliteit verdringt de warme emotie, de spiritualiteit en de bevlogenheid. Maar je wilt ze terug, je wilt geloven dat er méér is. Je wilt betekenis toekennen aan de dingen. Tegelijkertijd lukt het niet meer. Zie maar.
Intellectueel gezien waren de jaren vijftig en zestig nog een tijd van idealisme en grote vragen. Mao Zedong was ‘de grote roerganger’: de heilstaat was als ideologie en ideaal nog springlevend. Mijn vader liep in protesten mee met een bord waarop stond: ‘Nixon oorlogsmisdadiger’. ‘Ich muss verstehen’, zei politiekfilosoof Hannah Arendt en schreef een boek over ‘The Human Condition’ (toe maar!).
Intussen zijn de dingen ineengezegen. Ik zag vorig jaar op het Rode Plein in Moskou een oude man het communisme prediken. Hij was verworden tot een toeristische attractie.
Een held van mijn generatie is de cabaretier Hans Teeuwen – zijn motto: ‘ik moet helemaal niks’. Niet toevallig is hij ook zelfverklaard verdediger van het vrije woord en hij neemt het daarin op tegen de islamitische meiden van Halal. Het extreme liberalisme waarvan zijn cabaret – waarin letterlijk alles moet kunnen, tot en met publiekelijk klaarkomen op Hare Majesteit – en zijn ‘maatschappelijke betrokkenheid’ doortrokken is, is tekenend voor deze tijd.
Wie vandaag de dag verklaart dat hij strenggelovig is, wordt in eerste instantie met argwaan aangekeken. De ChristenUnie haalt zich de woede van velen op de hals wanneer ze openlijk politiek bedrijft vanuit religieuze motieven. Laatst zag ik tijdens een collecteronde op een deur een vergeelde sticker van de Nederlandse Vereniging ter Bevordering van de Zondagsrust. Nog zo’n voormalig instituut dat reeds lang en breed door de economische rationaliteit is verdreven.
Het is gek: ik kan het niet scherp beargumenteren, maar voel aan alle kanten dat religie niet meer ‘van deze tijd’ is.
Wij verkeren in de positie om andere tijden te overzien en in te delen. Dat religie een bron van fundamentalisme, verstarring en geweld kan zijn, dat haalt je de koekoek. Voorbeelden te over: van de middeleeuwse kruistochten tot de 20e eeuwse Taliban-terreur. Maar daar staat religie niet alleen in; onder andere nationalisme, communisme en fascisme delen daarin mee. Het heeft alles te maken met de gevaarlijke onbetwijfelbaarheid van overtuigingen. Intussen worden zelfs in naam van universele vrijheden en mensenrechten heftige oorlogen gevoerd. En wat te denken van economische motieven, die al niet eens meer onbetwijfelbaar hoeven te zijn. Financieel pragmatisme volstaat.
Of religie ook een blijmoedig spel kan zijn, dat resulteert in vreugde, veerkracht en levensmoed zou ik niet weten, aangezien religie persoonlijk is en ik mezelf niet voor een religieus mens houd. Ik weet wel dat ik een spruitjeslucht waarneem als ik iemand hoor zeggen dat hij levensmoed put uit religie. Die kan ik ook putten uit mijn studie, mooie muziek, lekker eten en geliefde(n). Staan die dingen dan op dezelfde hoogte: de één wordt gelukkig van twintig Weesgegroetjes, de ander van een mopje muziek? Ik durf het niet te zeggen. Ik geef toe dat ik in een dronken bui wel eens huil vanwege oprecht gevoelde, maar onverklaarbare broederliefde. Heb ik dan ‘de geest gekregen’ en een (bijna)religieuze ervaring gehad? Nee, besef ik. Mijn onauthentieke emotie is gestuurd door mijn lezing van Dostojevksi’s De gebroeders Karamazow en de volgende dag is mijn kater er niet minder om. Met fikse hoofdpijn lees ik dan in Science dat emoties worden veroorzaakt door snelvurende synapsen in mijn hersenen.
Ik heb als homo academicus nooit goed begrepen waar de behoefte aan religie vandaan komt. Één verklaring is geïnstitutionaliseerde religie, met andere woorden de macht der gewoonte. Zo verklaar ik de gelovigheid van mijn grootouders en mijn moeder. Tegelijkertijd definieer ik mijn vader’s afscheid van de kerk als een ontsnapping aan een verstikkende traditie. Een ontsnapping overigens waar tot op heden niets voor in de plaats is gekomen.
Als instituut staat de (katholieke) kerk onder druk. Ze heeft te kampen met teruglopende bezoekersaantallen en wordt geplaagd door schandalen als massaal kindermisbruik door priesters. Ik neem het overigens niemand kwalijk dat hij religieus is, net als ik het niemand kwalijk neem als hij met volle mond praat: kwestie van opvoeding. Maar actief ‘kiezen’ voor een religie, jezelf ‘bekeren’ tot een religie? Dat klinkt raar. Waarom zou je nog?
Daarmee zijn we aanbeland bij een tweede verklaring voor religie: de persoonlijke zoektocht naar ‘iets hogers’. Ik heb al betoogd dat zulks in andere dingen ook te vinden is, maar dat is flauw. Vrijwel alle religies zijn doorwrongen van de idee dat er een hogere macht is die zich om de gelovige mens bekommert en dat er hoop is dat het ooit beter wordt. Die Messiaanse boodschap kan mooie muziek niet bieden. Ik kan daarom niet zeggen ‘de één gelooft, de ander niet; je hebt appels en je hebt peren’. Dat contrasteert met de essentie van echte religie: dat er één waarheid is, de waarheid van een god die zich bekommert. Net zo goed als ik een christen leugenachtig vind als hij de evolutie ontkent, moet hij mij leugenachtig vinden als ik het bestaan van God onwaarschijnlijk acht, omdat het voor mij een onbewijsbare hypothese betreft. We zijn helaas gedwongen ofwel elkaar niet serieus te nemen ofwel elkaar te minachten.
Kan dat eigenlijk wel, religie bedrijven (of wetenschap, maar daar gaat het nu niet over) zonder minachting voor anderen, zonder bekeringsdrang? Het begint er haast op te lijken – zij het in surrogaatvorm. De reiki consultants en zenmeesters schieten als paddestoelen uit de grond. De yogaklasjes en meditatieweekenden zijn volgeboekt. Dat heet dan ‘ietsisme’ te zijn, maar ik noem het ‘nietsisme’, ofwel: nihilisme. Wie met een strak gezicht kan beweren dat hij gelooft dat er ‘iets is’ en vervolgens zijn persoonlijke karma laat onderzoeken door een spiritueel ingestelde life coach, die bevestigt daarmee onmiddellijk de nietigheid en zinloosheid van zijn holle uitspraak. ‘Menschliches, allzumenschliches’.
Bij nader inzien heb ik, geloof ik, wel respect voor religie als echte overtuiging; tegen het geweld van het rationalisme, de economie en de atheïsten in. Religie is niet voor mensen met slappe knieën of zonder ruggengraat. De rug moet recht worden gehouden: geen seks voor het huwelijk, bidden voor het eten en op zondag naar de kerk.
Hier sta ik dan, ik kan niet anders. Met zekerheid uitspraken doen over de aard van religie betekent mijn eigen these in de staart bijten. Ik ga dus ook niets zeggen over wat religie ‘moet’ (‘het moet helemaal niks!’) of ‘waar het heen moet’. Hoe zou je het ding willen sturen? Het gaat alle kanten op en is reeds alle kanten opgegaan. Van onbetwijfelbare overtuiging waar letterlijk alles voor moest wijken tot de verdraagzaamheid van Gandhi of Moeder Theresa. Vanwege religieuze motieven worden mensen in ontwikkelingslanden levensreddende voorbehoedsmiddelen onthouden. Tegelijk worden om economisch gewin miljoenen kindarbeiders uitgebuit. Wie durft hier scherprechter te zijn?
Ik ben een nihilist en stap ’s ochtends fluitend uit bed. En velen met mij. Wij menen ons te hebben onttrokken aan een achterhaald instituut en te hebben vrijgevochten. Maar wat komt ervoor in de plaats? Niets, nihilisme. Zwak nihilisme welteverstaan, dat zich nog wel verdrinkt in nietsontziende wetenschap, verdovend consumentisme of de geruststellende idee dat er ‘iets’ is. Akkoord, de fundamentele twijfel aan mijn overtuigingen (de wetenschap werkt ook enkel met hypothesen en waarschijnlijke uitkomsten) resulteert in zoveel besluiteloosheid dat ik niemand de kop in zal slaan. Maar daarmee is alles dan wel gezegd. Een magere boodschap; daarmee kan ik niet bij moeder thuis komen – laten staan op visite bij opa en oma. Maar een beter verhaal heb ik niet.
donderdag 10 juli 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
1 opmerking:
Ik weet niet of het zinvol is, zoveel jaar nadat u deze post plaatste, maar dat is het voorrecht van internetgebruikers, dat zij op "oude" teksten kunnen botsen, lezen en er iets van vinden.
Ik kan uw redenering volgen en zowel in Vlaanderen als Nederland, in Europa lijkt er een fel debat te woeden over de betekenis van religie, van troost voor het arme individu tot een aureool voor anderen en een cultureel of sociologisch gegeven.
Het probleem lijkt me moeilijk te ontwarren waarom onze tijd en onze regio zoveel last heeft met de religie. Ik denk, volkomen sine pecunia, dat een deel bij de kerk zelf ligt, die het denken zelf dat in de lange geschiedenis van het christendom is er heel wat interessants voortgekomen uit dat boek en vooral omwille van het syncretisme waarvan het christendom het product is. Mensen als Buridan, Erasmus, Agricola in onze contreien hebben de instrumenten aangereikt om het geloof, maar meer nog de geloofswaarheden en geloofspraktijk ernstig onder ogen te nemen en met misvattingen af te rekenen. Maar de kerk, r.k. in het bijzonder, heeft de afgelopen decennia op het publieke forum vaak angstig de eigen inzichten verdedigt, i.p.v. te zoeken naar adequate reflectie nieuwe inzichten te ontwikkelen. Er is ook aan de andere kant, onder de filosofen en wetenschappers eindelijk weinig animo geweest de nieuwe inzichten van filosofie, alfa- en bètawetenschappen in het denken over de tijd te verwerken. Wie de bestuurspraktijken bekijkt en - sorry voor het woord - gezever over gelijkheid en niet-discriminatie om die maar op te nemen, zal opmerken dat dit voor het individu, de persoon doorgaans lege abstracte begrippen zijn.
Als persoon hoeft men niet a priori dogmatiek of geloofspraktijk aan te nemen, maar het kan wel boeiend zijn in de betere segmenten van de traditie te gaan graven. En toch, naast Ad Verbrugge zijn er mensen als Sloterdijk, Safranski, Martha Nussbaum en Susan Neiman, die stapstenen aanreiken om na te denken en ons handelen te kaderen. Blijft de vraag of we terug kunnen naar de kerk? Moeilijk te beantwoorden, want er is veel dat esthetisch aantrekkelijk is, maar is veel dat ethisch moeilijk te handhaven blijkt. En vooral op dat vlak valt de leegte op, in de kerken, maar helaas ook daarbuiten. Nog dit: als men wetten wil maken die ons handelen volkomen sturen in de "goede" richting, dan valt te vrezen dat er weinig ruimte blijft om echt goed te zijn.
Een reactie posten