woensdag 17 juni 2009

Een essay over de status van wetenschapsfilosofie

Update 30 augustus 2009: het originele essay kan in PDF hier worden gelezen en gedownload.

Onlangs volgde ik een cursus wetenschapsfilosofie (getiteld 'Information Overload') aangeboden door Studium Generale van de Universiteit Utrecht. De locatie was mooi (het Academiegebouw), de gastsprekers veelal boeiend (o.a. journalist Joris Luyendijk en fotograag Geert van Kesteren), maar een probleem diende zich in de loop van de cursus aan: de status van wetenschapsfilosofie bleek onduidelijk. Een verplicht onderdeel van de cursus was het leveren van bijdragen aan forumdiscussies op de cursus-website. Daar werd het probleem schrijnend duidelijk: de circa 100 deelnemende studenten ‘zeiden maar wat’. De Babylonische spraakverwarring deed mij besluiten het afsluitend essay voor de cursus te schrijven over de status van wetenschapsfilosofie, vanuit de stelling dat wetenschapsfilosofie on-zin is. Hieronder het (stevig herschreven en ingekorte) essay. Als het gaat over forumdiscussies, dan betreft het zoals gezegd de forumdiscussies op de cursus-website. De vele voetnoten zijn voor de liefhebber. Onderaan het essay is een artikel te vinden van Menno Lievers (NRC Handelsblad, 11 april 2009) over min of meer hetzelfde probleem.


Een ongenode stelling
Een essay over de status van wetenschapsfilosofie 

“[...] als ik zo lees wat je allemaal schrijft heb ik een beeld voor me van een vervelende tiener die met zijn ouders in discussie treedt over de avondklok van de zaterdagavond. [...] Ik hoop dat je nu ophoudt met je infantiele boodschap te verspreiden want ikzelf heb er schoon genoeg van.” Olivier Schröder, in de forumdiscussie n.a.v. de stelling 'wetenschapsfilosofie is on-zin', 16 februari 2009 .

Een stelling die in een forumdiscussie een reactie zoals de bovenstaande uitlokt, dat moet wel een zeer ongenode stelling zijn. De door mij voorgestelde stelling was: ‘wetenschapsfilosofie is on-zin’. [1] In dit essay leg ik uit hoe ik tot die stelling ben gekomen, en welke achterliggende vraag de stelling herbergt. 

Voorafgaand aan de cursus ‘Information overload’ (aangeboden door Studium Generale van Universiteit Utrecht) – dat wordt omschreven als ‘interdisciplinair wetenschapsfilosofisch programma’ – had ik reeds vier andere wetenschapsfilosofische cursussen gevolgd.[2] Voor de laatste drie van die vier progamma’s was ik verplicht het boek ‘What is this thing called science?’ te lezen, geschreven door A.F. Chalmers. Ook voor de cursus ‘Information overload’ was het boek aanbevolen literatuur. Ik begrijp waarom het boek wordt verplicht of aanbevolen: het is een leesbaar boek en biedt een goed overzicht van alle belangrijke wetenschapsfilosofische vraagstukken, gepresenteerd met alle concurrerende standpunten van dien. Het gaat over inductie, falsificationisme, realisme en anti-realisme, paradigma’s en ga zo maar door. Enthousiast geworden door de cursussen vroeg ik aan vrienden die scheikunde studeerden ‘hoe zij in de wetenschapsfilosofische debatten stonden’. Tot mijn verbazing antwoordden zij mij ‘dat zij daarvan nog nooit kennis hadden genomen’.[3] De enkeling die wél een wetenschapsfilosofische cursus had gevolgd, had dat facultatief gedaan. Dat stelde mij voor de vraag: hoe is het mogelijk dat sommige wetenschappers wel kennis nemen van wetenschapsfilosofie en anderen niet – en dat zij tegelijkertijd gelijkwaardige wetenschappers kunnen zijn?’ Met gelijkwaardig bedoel ik hier dat de wetenschappers (potentieel) in gelijke mate in staat zijn tot het doen van wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontdekkingen. Met andere woorden: het is voor een wetenschapper mogelijk om een Nobelprijs te winnen zonder dat hij enig moment tijdens zijn leven heeft nagedacht over wetenschapsfilosofische vraagstukken.[4] Het antwoord op bovenstaande vraag moet daarom wel luiden dat een gebrek aan kennis over wetenschapsfilosofie blijkbaar geen bezwaar hoeft te zijn bij het bedrijven van wetenschap – en het is dus kennelijk ook niet per se een gebrek.[5] Dat zou ook wel eens de reden kunnen zijn dat cursussen wetenschapsfilosofie facultatief zijn. Heel grof samengevat: de wetenschap lijkt de filosofie voor het bedrijven van wetenschap niet nodig te hebben. 

Voorgaande paragraaf is kort door de bocht, maar feit is dat geen van de negen gastsprekende wetenschappers van de cursus ‘Information overload’ ook maar één van de zojuist genoemde wetenschapsfilosofische onderwerpen uit Chalmers’ boek behandelden.[6] Toegegeven: er was één gastspreker die met Rorty’s perspectivisme een poging deed. Dat was Rob Weinberg – inderdaad: de (enige) filosoof van het stel.[7] Zou het dan inderdaad zo zijn dat de filosofie – en daarmee de wetenschapsfilosofie – overbodig is (geworden) voor de wetenschap? Zou het inderdaad zo zijn dat de (wetenschaps)filosofie ‘[...] in de wetenschappelijk gestuurde wereld geen eigen betekenis [heeft]’, zoals Wouter Oudemans schrijft op pagina 53 in zijn boek ‘Echte filosofie’ (2008)?[8] 

Het zijn deze vragen geweest die mij hebben gedreven tot het poneren van de – gechargeerde – stelling dat wetenschapsfilosofie on-zin is. Inderdaad zijn er enkele onderwerpen die op de forumdiscussie worden bediscussieerd die doen denken aan de onderwerpen in het boek ‘What is this thing called science?’ Echter, zowel de forumdiscussies die aanleiding gaven tot de stelling dat wetenschapsfilosofie on-zin is, als een inventarisatie van de reacties erop, duiden erop dat de status van de wetenschapsfilosofische problemen waarvan men last meent te hebben, op zijn zachtst gezegd onduidelijk is. Eigenlijk weet men zich er simpelweg geen raad mee. Een aantal discussies gaan over onderwerpen die eigenlijk niets met (wetenschaps)filosofie van doen hebben.[9] Uit de discussies die wel over (wetenschaps)filosofie gaan (in de ruimste zin van het woord genomen) blijkt grote verwarring.[10] Veruit de meeste discussies lijken onnodig te problematiseren. Zo schrijft Karin van Boetzelaer doodleuk een column naar aanleiding van de documentaire ‘Waltz with Bashir’, waarin ze de stelling aangaat dat niet duidelijk is ‘wat er in de werkelijkheid gebeurd is’. Mijn reactie is te lezen in de voetnoot.[11] Annemarie Reynaers start een forumdiscussie over de vraag hoeveel foto’s een goede weergave van de werkelijkheid geven. 62 bijdragen later is men geen stap dichterbij een antwoord gekomen – dat uiteraard ook onmogelijk te formuleren is.[12] Ik zou nog tien pagina’s door kunnen gaan, maar afrondend stel ik voorlopig: 1) als het bedrijven van wetenschapsfilosofie zoveel (schijn)problemen oplevert waar men zich geen raad mee weet, en 2) wetenschapsfilosofie overbodig lijkt te zijn voor het bedrijven van wetenschap, dan Y) is zij net zo relevant als tarotkaarten leggen – en dus on-zin.[13] 

Nu volgt uit het feit dat a) wetenschapsfilosofie vaak een facultatief programma is; b) wetenschappers niet noodzakelijkerwijs wetenschapsfilosofie nodig hebben om wetenschap te bedrijven; c) geen van de sprekers zich geroepen voelt om wetenschapsfilosofische vragen te behandelen; en d) de forumdiscussianten radeloos zijn omtrent de status van (wetenschaps)filosofie, nog niet onvermijdelijk dat wetenschapsfilosofie ook inderdaad echt on-zin is. De vraag of wetenschapsfilosofie on-zin is, kan ceteris paribus om grofweg twee mogelijke redenen volmondig met ‘nee’ beantwoord worden. Ten eerste kan men beweren dat wetenschapsfilosofie weliswaar niet voor alle wetenschappers, maar wel degelijk voor enkele wetenschappers ‘zin’ heeft, en inderdaad, zo luidt ook het commentaar op enkele columns die ten grondslag ligt aan dit essay.[14] Opvallend aan het commentaar op de columns is dat de ‘zin’ van wetenschapsfilosofie impliciet wordt uitgedrukt in termen van ‘nut’ – namelijk wetenschappelijke vooruitgang.[15] (Wetenschaps)filosofie als activiteit an sich heeft blijkbaar een twijfelachtig bestaansrecht, dat heeft zij vooral als manier om wetenschappelijke vooruitgang te bewerkstelligen.[16] Maar dàt klinkt verdacht veel als de hierboven geciteerde zin uit ‘Echte filosofie’. Tevens biedt deze constatering een verklaring voor de eerder gestelde vraag hoe het mogelijk is dat wetenschapsfilosofische cursussen vaak facultatief zijn, en dat een wetenschapper zonder kennis van wetenschapsfilosofie een Nobelprijs kan winnen: wanneer het bestaansrecht van wetenschapsfilosofie afhangt van het ‘nut’ ervan voor wetenschappelijke vooruitgang, is/wordt zij overbodig als de wetenschap zelfstandig (d.w.z. zonder gebruikmaking van wetenschapsfilosofische inzichten) voldoende vooruitgang boekt.[17] Hoewel deze verklaring tentatief is, heeft zij intuïtief grote zeggingskracht. Is het immers niet zo dat wetenschap vaak min of meer kabbelend voortbouwt op bestaande inzichten binnen de scientific community? ‘Normale wetenschap’ zou de wetenschapsfilosoof Lakatos zulke wetenschap noemen. En is het niet zo dat als er doorbraken plaatsvinden (Lakatos: ‘revolutionaire wetenschap’, waarbij de kern van een wetenschapsfilosofisch programma wordt herzien), als er paradigma’s kantelen, dat daar dan flink over is nagedacht – wellicht: gefilosofeerd? Het vraagteken slaat hier op de gehele zin, maar ook in het bijzonder op het woord ‘gefilosofeerd’. Want wordt er in het geval van ‘revolutionaire wetenschap’ wel filosofie bedreven? Waren de ‘revolutionaire wetenschappers’ Copernicus en Einstein bijvoorbeeld inderdaad wetenschapper (vooral empirisch) en filosoof (theoretisch) tegelijkertijd?[18] 

Dat brengt ons direct bij het tweede mogelijke antwoord: wetenschapsfilosofie heeft wel degelijk ‘zin’, want zij is noodzakelijk om wetenschap te ‘over-denken’ – wat dat ook moge zijn (zie de eerder geschetste onduidelijkheid bij de forumdiscussianten). Wetenschapsfilosofie heeft dan de functie van ‘méta-wetenschap’, die zowel ‘over de wetenschap(pelijke disciplines) heen kijkt’ als haar grondslagen en veronderstellingen bevraagt – maar die zelf niet wetenschappelijk is. Dit antwoord is onvermijdelijk, en de reden is dat de vraag naar wat wetenschap is, niet wetenschappelijk te overdenken is. [19] Dat inzicht is evident, omdat het tegendeel een onmogelijkheid is. Ik kan met de beste wil van de wereld niet wetenschappelijk onderzoeken wat wetenschap is, op dezelfde manier waarop ik onmogelijk met behulp van de ratio kan onderzoeken wat rationeel is.[20] Ik zou nooit aan zo’n onderzoek kunnen beginnen, want zij vooronderstelt de aanwezigheid van hetgeen ze onderzoekt – namelijk zichzelf. 

De zaak lijkt dus beslecht. Wetenschapsfilosofie heeft niet alleen ‘zin’ als hulpmiddel – omdat zij soms ‘nut’ heeft voor wetenschappelijke vooruitgang. Nee, zij is ook intrinsiek van waarde. Willen we überhaupt de vraag kunnen stellen naar wat wetenschap is, dan moeten we filosofie betrachten, filosofie van de wetenschap: wetenschapsfilosofie.[21] Wetenschapsfilosofie heeft daarmee an sich bestaansrecht: zij kan belangeloos vragen: ‘wat is dat eigenlijk, wetenschap?’[22] Zij kan dat doen zonder zichzelf in de staart te bijten, omdat ze zelf niet wetenschappelijk is.[23] 

Inderdaad, de zaak lijkt beslecht. Maar dat is zij niet. Want de advocaat van de duivel heeft nog spreektijd, en hij is boodschapper van een zeer ongenode mededeling. Als een ondefinieerbaar onaangenaam gevoel was de vraag de lezer op de publieke tribune al bekropen, en de advocaat van de duivel stelt hem nu hardop: wat is dat eigenlijk: filosofie? (dit is de achterliggende vraag waar ik in de openingsparagraaf van dit essay al over sprak). De jury hult zich in stilzwijgen, en redeneert: ‘inderdaad, als we aan (wetenschaps)filosofie willen doen – waarvan we zojuist hebben vastgesteld dat het ‘zin’ heeft – dan moeten we wel dondersgoed weten wat het is, hoe het moet en hoe we het zouden moeten toetsen’. De jury blijft zwijgen, bedachtzaam. De rechter schorst de zitting.

Hoe theatraal ik de vraag ook moge presenteren, hij is niettemin van levensgroot belang. Daarom heb ik een forumdiscussie gestart met deze vraag als. Het resultaat was teleurstellend: 241 keer bekeken, maar slechts 16 reacties. Geen van de reacties leidde tot een bevredigend antwoord. Wederom een ontluisterende bloemlezing: “Ik weet niet, maar is het niet e [sic] bedoeling in het forum, om een klein stukje te schrijven en reactie te verwachten van andere... dit is te lang, ik ga het niet eens lezen. wacht gewoon af waar het naartoe leidt.. waarom maken mensen zich zo druk over het woordt [sic] wetenschapsfilosofie. het gaat om nadenken over andere onderwerpen dan je normaal in je studie doet” (Franca Bongers, 18-03-2009). “Filosofie is dieper nadenken over zaken waar al diep over nagedacht is” (Marcel Boerman, 10-4-2009). “[…] voor mij is filosofie nadenken over het leven en daar uiteindelijk je eigen weg in vinden” (Milou Willemsen, 18-3-2009) Dat filosofie nadenken behelst hebben alle reacties gemeen, maar dat geldt voor vrijwel elke activiteit of handeling. Wat daar filosofisch aan is, blijft een raadsel.[24] 

Een groot probleem presenteert zich. Als we op de vraag naar de filosofie een bevredigend antwoord schuldig moeten blijven, hoe kunnen we dan ooit iets zeggen over (wetenschaps)filosofische uitspraken – laat staan er een oordeel over vellen? Als we niet weten wat filosofie is, wat de filosofische methodes zijn en hoe we filosofische uitspraken zouden moeten toetsen, hoe kunnen we dan zin van on-zin onderscheiden?[25] Hoe kunnen we een uitspraak filosofisch noemen als we niet weten wat een uitspraak filosofisch maakt? Hoe kunnen we iemand filosoof noemen als we een filosoof niet zouden herkennen, al liepen we t
egen hem op in een drukke winkelstraat? Denk even terug aan een eerdere vraag: was Einstein (ook) een filosoof? Hoe zouden we het kunnen weten?

En wat zijn nu eigenlijk die filosofische methodes? In de cursusbeschrijving van 'Information Overload' luidt het als volgt: “[filosofische methodes zijn] bijvoorbeeld het analyseren van redeneringen en discussies, en het verhelderen van begrippen”. Daar schieten we niet veel mee op: die methode hanteert de linguïst ook, en de debattrainer, en de mediator – ja zelfs de ‘politiek columnist’ in het plaatselijke sufferdje. Wat er nu precies filosofisch aan die methodes, dat blijft onduidelijk. Het woord ‘bijvoorbeeld’ doet ons vragen: welke methodes zijn er nog meer? Even verderop wordt nog een methode prijsgegeven: “de belangrijkste filosofische methode [in ‘Information overload’] is die van het debat”. Voor die methode geldt hetzelfde als voor de eerder genoemde methodes.  Bovendien heb ik eerder laten zien wat er gebeurt als je honderden studenten in het wilde weg ‘filosofisch’ laat debatteren. 

En de jury blijft maar zwijgen; een bevredigend antwoord blijft no
g steeds uit. Één ding is zeker: de vraag naar wat filosofie is, kan niet filosofisch beant
woord worden. Maar hoe dan wel?[26] Het zou een schandaal kunnen worden genoemd: er staan op moment van schrijven bijna 4000 bijdragen op het forum, en het is volstrekt onduidelijk hoeveel daarvan filosofische bijdragen zijn – als er al een te vinden is. Maar de consequenties reiken veel verder: doorgeslagen relativisme, anything goes – inderdaad ‘luchtfietserij’ (Abram Ertroys in reactie op de forumdiscussie over ‘wat eigenlijk filosofie is’; 7 april 2009).[27] Het resultaat is de radeloosheid bij forumdiscussianten zoals even tevoren beschreven; een clowneske parodie op discussie: met de gekste dingen kan men wegkomen. In het wilde weg kan er vrijblijvend lustig op los worden gefilosofeerd – of gefantaseerd? Wie zal het zeggen?

Dat die boodschap een ongenode boodschap is, dat leidt geen twijfel. In die zin is de verontwaardiging van Olivier Schröder, waarmee ik dit essay begon, eigenlijk wel te begrijpen.

Literatuur 
Chalmers, A.F. (1999) What is this thing called science? Open University Press: Buckingham.
Oudemans, Th.C.W. (2008) Echte filosofie. Uitgeverij Bert Bakker: Amsterdam
Verbrugge, A. (2005) Tijd van onbehagen. SUN: Nijmegen. 

Noten
[1] Waarbij opgemerkt: ‘Ik schrijf ‘on-zin’ in plaats van onzin om de nadruk op 'zin' te leggen. Dat is een klein woord dat een wereld van betekenis in zich draagt. Van Dale geeft er 15 verschillende. Een kleine tip van de sluier: niet alleen bevraag ik de betekenis ('zin') van wetenschapsfilosofie, maar ook ontbreekt het mij aan de lust ('zin') om wetenschapsfilosofie te bedrijven zolang de status ervan onduidelijk is [dit komt verderop in de tekst ter sprake]’. 
[2] Achtereenvolgens het vak Wetenschapsfilosofie en Grondslagen van de Bestuurskunde bij de opleiding Bestuurskunde in Leiden, de vakken Epistemologie & Wetenschapsfilosofie 1 en 2 bij de opleiding Wijsbegeerte in Leiden, en het vak Wetenschapsfilosofie bij de opleiding Bestuurskunde in Utrecht. 
[3] Nu weet ik wel dat opleidingen verschillen naar de mate waarin ze dit soort cursussen aanbieden, en dat er ook veel opleidingen zijn die de cursussen wel aanbieden (zo is me ook fijntjes door menigeen verteld), maar dat is hier bezijden de pointe. Het punt (dat ook in de volgende zin wordt gemaakt) is dat wetenschapsfilosofie niet nodig is om wetenschap te bedrijven. 
[4] Bijvoorbeeld als hij het facultatieve vak wetenschapsfilosofie heeft laten schieten voor een extra cursus statistiek. 
[5] Als de lezer nu denkt: ‘alles goed en wel, maar een wetenschapper die wel kennis neemt van wetenschapsfilosofie is een betere wetenschapper dan de wetenschapper die dat niet doet’, dan nodig ik hem/haar uit een onderzoek te doen naar het aantal Nobelprijswinnende wetenschappers die zich niets gelegen hebben laten liggen aan wetenschapsfilosofie.  Het zullen er talrijke zijn. 
[6] In zes columns die ten grondslag liggen aan dit essay heb ik deze constatering per college uitgewerkt. De organisatoren van het ‘Information overload’ zullen in reactie op deze constatering ongetwijfeld verdedigen dat de opzet van het programma zich daarvoor ook niet leende. Dat laat onverlet dat geen van de gastsprekers wetenschapsfilosofische vraagstukken besprak. Het meest veelzeggende voorbeeld was de neuroloog Ignace Hooge, die desgevraagd ronduit afwijzend reageerde op de vraag of hij zich met wetenschapsfilosofische vraagstukken als het nut van reductionisme bezighield. 
[7] Rob Weinberg overigens, die tijdens het college door zijn discussiepartner Joris Luyendijk aan het eind van de discussie werd gediskwalificeerd als een gevoelloze nihilist, die zelfs de hongersnood in Afrika alleen filosofisch wil benaderen. 
[8] Oudemans vervolgt: “Ze [de wijsbegeerte] teert als een blindedarm op de gemobiliseerde universiteit. Die tolereert het wormstekig aanhangsel als cultuurpolitieke legitimatie: ‘Zonder filosofen worden we gebrandmerkt als cultuurbarbaren en dat verzwakt onze marktpositie’.” Elders in het boek noemt hij filosofie een moeder die van haar jong (de wetenschap) afscheid moet nemen: het jong heeft haar niet meer nodig. Als advocaat van de duivel vraagt hij zich tijdens colleges af of een boterham met pindakaas anders smaakt als je realist of idealist bent, en hoe vaak natuurkundigen aankloppen bij filosofie om te vragen naar ‘wat een elektron eigenlijk is’, voordat ze er experimenten mee uitvoeren. 
[9] Bijvoorbeeld: een discussie over Twitter (24-3-2009); Suikervrij waspoeder (3-2-2009); een pleidooi voor Rechtswetenschap (8-2-2009); de linkse media (11-2-2009) – die laatste is tevens de meest druk bezochte forumdiscussie van allen. 
[10] Wat te denken van de onbegrijpelijke stelling van Sebastiaan Steenman: ‘Exacte wetenschappen zijn geen wetenschap’ (17-3-2009). Hij schrijft: “Ik heb alle respect voor exacte wetenschappers. We hebben er in praktische functies door de jaren heen heel wat aan overgehouden. Toch zijn de opleidingen, hoewel ongetwijfeld razend ingewikkeld, eigenlijk geen wetenschap. Het is eerder een zeer verregaande ingewikkelde versie van een praktische HBO-opleiding (zonder dat op enige wijze te willen bagataliseren [sic!]). Ik mis de diepgaande gravingen [een pleonasme?] in de literatuur en de overpeinzing die voor mij onherroepelijk voorwaarde zijn van het wetenschappelijke 'werk'.” Men kan alleen maar hopen dat Steenman hier een gefingeerd naïeve stellingname beklom. Kim Lijfijt schrijft in de forumdiscussie n.a.v. de stelling ‘wetenschapsfilosofie is on-zin’: “[…] Wetenschapsfilosofie houdt zich niet alleen bezig met welke dingen binnen de wetenschap 'waar' zijn, maar ook hoe je wetenschap het beste zou kunnen bedrijven. Zonder discussie hierover komt de wetenschap vanzelf een keer tot stilstand. Een nieuwe wetenschappelijke onderzoeksmethode bedenken is óók wetenschapsfilosofie, en lijkt mij zeker niet onzinnig.” (14-2-2009) Kim raakt hier aan een punt dat ik verderop zal behandelen: bedrijven wetenschappers soms (onbewust) filosofie? Destijds reageerde ik op Kim als volgt: “Discussie over hoe wetenschap wordt bedreven is er dagelijks onder wetenschappers. Ook dagelijks worden er nieuwe methoden bedacht. Uiteraard. Dat is hoe wetenschap wordt bedreven. Daar komt geen filosofie bij kijken. De idee dat de wetenschap 'tot stilstand zou komen' is absurd. Integendeel, de wetenschap groeit exponentieel, kijk alleen maar naar het aantal artikelen dat wordt geproduceerd; de doorbraken die elkaar in steeds hoger tempo opvolgen.” Saskia Haitjema (15-2-2009) schrijft in dezelfde discussie “[…] Ethici zijn halve filosofen. […]” Ik vraag me af hoe ik dat voor me moet zien. Even later schrijft ze: “[…] Ethici zijn namelijk hele filosofen, en geen halve (ethiek is immers een tak van de filosofie).” De verwarring over de status van filosofie is compleet. 
[11] Reactie Kasbergen op 1-3- 2009: “Beste Karin, misschien ligt het aan mij (dat idee begint zich op te dringen), maar wederom begrijp ik je niet. We kunnen er bij een gebeurtenis prima achter komen 'wat er gebeurd is', bijvoorbeeld door het te filmen en de beelden te bekijken. Dat is ook precies wat aan het einde van Waltz with Bashir gebeurt: we zien wat er gebeurt, en wat er gebeurd is. Vrouwen huilen omdat hun mannen en kinderen zijn vermoord – door Falangisten (Libanese christenen), hoewel dat niet direct uit de beelden duidelijk wordt omdat de moordpartij zelf niet is gefilmd. Dat het geheugen zijn beperkingen kent, daar kunnen we het over eens. Maar dat leidt toch niet tot de conclusie dat we niet kunnen weten 'wat er gebeurd is’? Jou redenering consequent doortrekkend zou je zelfs tot de conclusie komen dat de moordpartij alleen maar heeft plaatsgehad omdat of terwijl mensen eraan terugdenken. Dat lijkt me een wrange conclusie die je vast niet voor je rekening wil nemen. Dat mensen een en dezelfde gebeurtenis anders ervaren betekent niet dat wat er is verandert. De één houdt van appels, de ander van peren, maar de aard van de appels of de peren verandert daarmee niet. Wat jij verkondigt is filosofisch idealisme, maar waarschijnlijk doet die term je vreemd aan. Ik ken namelijk de methoden van ‘wetenschappers’ die het sociaal constructivisme praktiseren. Ze rapen selectief wat filosofietjes bij elkaar en prakken die tot een theorietje. Helaas zijn die filosofietjes geleend van echte filosofen wel degelijk die diep en lang over ‘de dingen’ hebben nagedacht. Die zouden zich omdraaien in hun graf als ze zien hoe er nu meer wordt omgesprongen. Karin, het spijt me oprecht dat dit een persoonlijk getinte reactie is – ik zou mijn oordeel moeten opschorten – maar hier resoneert Maarten Luther: ‘hier sta ik, ik kan niet anders’. Het doet me pijn dat er rond de dood van echte mensen luchtkastelen worden gebouwd. Ik zou willen dat het anders was." Een reactie van Karin van Boetzelaer is uitgebleven. 
[12] Reynaers start de discussie (17-3-2009) met de tekst “[…] Mijn vraag is nu: hoeveel foto's hebben we nodig om tot een weergave van de werkelijkheid te komen en waar is de kracht van de representatie gebleven?’. De 62e (en laatste) reactie luidt: “Dat is überhaupt niet mogelijk. Zelf zou ik zeggen dat een foto wel de werkelijkheid weer kan geven, maar niet de context. We zien dus wel de werkelijkheid maar weten niet wat we daarmee moeten” (Karlijn Mofers, 11-4-2009). 
[13] Nu zijn er uiteraard talrijke forumdiscussianten die goochem roepen dat het juist de discussie is die belangrijk is, en niet zozeer de antwoorden. Mijn goocheme antwoord daarop luidt: discussie over on-zin is nog steeds on-zin. 
[14] De commentator schrijft n.a.v. de column: “Overigens worden aan alle technische universiteiten wetenschapsfilosofiecursussen gegeven en heeft de wetenschapsfilosofie van de 20ste eeuw een ongekende impact gehad op bv. de onderzoeksmethoden in de chemie, biologie en de natuurkunde (Kuhn, Popper, et al.)”. N.a.v. een andere column schrijft hij: “Om wetenschapsfilosofie te bedrijven hoef je overigens geen filosoof te zijn, zo bedrijven bv. de meeste theoretici dagelijks een vorm van wetenschapsfilosofie (nadenken over de Quantummechanica of over hoe men chemische of biologische experimenten het best kan beoordelen valt hier ook onder, zie bv. Mach, Galison, Latour, Franklin).” 
[15] Overigens is het woord ‘nut’ een zeer economische term in een academische cursus, maar dat zien we door de vingers. Wie kan ontkennen dat economie een grote rol speelt in de hedendaagse academie? Als een wetenschapper het ‘nut’ van wat hij doet onvoldoende kan aantonen wordt hij ‘wegbezuinigd’ (ook al zo’n economische term) – dat gebeurt aan de Universiteit Leiden op moment van schrijven veelvuldig bij de kleine Letteren studies. En zelfs in de filosofie heeft de economische rationaliteit overgenomen: wetenschapsfilosofen zijn tegenwoordig ‘professioneel’, getuige de cursusbeschrijving van de cursus ‘Information overload’. Nee, een beetje met een toga aan door een zuilengang kuieren, daar kom je niet meer mee weg. 
[16] Het lijkt ook aannemelijk dat de hedendaagse wetenschapper die overspoeld wordt door bergen peer-reviewed journal articles zichzelf enkel nog het pleziertje gunt zich af en toe te laven aan wetenschapsfilosofie die voor zijn vakgebied relevant is. Zo zal een cultureel antropoloog niet snel (meer) onder werktijd in zijn luie stoel voor een knapperend haardvuur een boek openslaan over de filosofie van de kwantummechanica (voor zover zoiets bestaat).
[17] Wat ‘voldoende’ vooruitgang is, is eigenlijk een onbeantwoordbare vraag. Een voorlopig antwoord kan luiden dat ‘voldoende vooruitgang’ betekent dat de scientific community niet onrustig wordt omdat ze met teveel vragen blijft zitten, maar ze zichzelf aardig bezig weet te houden met bepaalde vraagstukken. Of  die vraagstukken ook ‘waarheidsvinding’ inhouden is bezijden het punt: eeuwenlang hebben voorwetenschappelijke filosofen elkaar beconcurreert met godsbewijzen. Overigens kan ook technische vooruitgang – steeds geavanceerdere robots bouwen bijvoorbeeld – de honger naar wetenschapsfilosofie effectief stillen. 
[18] Copernicus en Einstein zouden in die zin filosofen kunnen worden genoemd, dat zij ‘de aard/het wezen van de natuur’ radicaal herdefinieerden aan de hand van niet-empirische gedachte-experimenten. 
[19] In toevoeging op de vorige voetnoot: kunnen wetenschappers met deze constatering in de hand wel tegelijkertijd filosofen zijn/worden genoemd? Kunnen zij het ene moment wetenschap bedrijven en het volgende moment filosoof zijn, als ware de wetenschap een jas die men even kan uittrekken? En, hoe doen ze dat dan? 
[20] Dit is precies het probleem dat filosofen ten tijde van de Verlichting ondervonden: dat de ratio niet rationeel te funderen is (Ad Verbrugge, Tijd van onbehagen, 2005: SUN Nijmegen).
[21] Men zou zich de vraag kunnen stellen: maar waarom zouden we eigenlijk  niet vanuit het domein van de literatuur of de kunsten trachten te vragen wat wetenschap eigenlijk is? En inderdaad, waarom ook eigenlijk niet? Het is reeds vaak genoeg gedaan.
[22] Kan een wetenschapper inderdaad ‘belangeloos’ filosoferen over de wetenschap die vervolgens weer gaat bedrijven?
[23] Niet tot mijn verbazing – gezien de rest van de forumdiscussies – was op het forum ook de misvatting vertegenwoordigd dat filosofie wetenschap(pelijk) is/kan zijn, of dat er zoiets bestaat als wetenschappelijke filosofie. 
[24] Vgl. “Nu zijn er mensen die zeggen: filosofie is verwondering; of filosofie is het grondig overdenken van de dingen. Welnu, als dat filosofie is, dan heb ik dagelijks een filosofische ervaring in de Amsterdamse Kalverstraat: ik verwonder me over al het volk dat voorbij schuifelt, en pijnig mijn hersenen over de vraag wat al die mensen daar te zoeken hebben (Kasbergen, 17-3-2009).
[25] Op empirische basis kunnen we filosofische uitspraken niet toetsen, want dan bedrijven we wetenschap. Dat is wat er onder andere in de cognitieve wetenschappen al decennia lang gebeurt: problemen die voorheen filosofisch problemen leken, verdwijnen simpelweg door voortschrijdend wetenschappelijk inzicht. Als de ‘overtuigingskracht van argumenten’ het criterium is voor filosofische toetsing, dan verwordt filosofie tot een discussie over wat is. Dat is paradoxaal, dat ik aan de werkelijkheid door mij bedachte eigenschappen kan toedichten. Er is een groot verschil tussen wat is en wat ik vind (m.a.w. mijn mening). Bovendien dreigen filosofische discussies dan heel snel ten prooi te vallen aan retoriek. En aangezien we geen methode hebben voor filosofische toetsing kunnen we de gekste dingen met grote stelligheid beweren (zie ook mijn bloemlezing van de forumdiscussies).
[26] Een wel eens gehoorde suggestie is de vraag naar de filosofie te beantwoorden vanuit het domein van de kunst, de literatuur, de dichtkunst of de esthetiek. Daar ga ik nu niet verder op in.
[27] Dat ik de problemen opzoek, dat doe ik natuurlijk zelf. Als je ze gewoon van je af laat glijden, heb je geen probleem. Zo schrijft Alwin Grubben als reactie in de forumdiscussie over de on-zin van wetenschapsfilosofie’ op 18-2-2009: “Je bent wel erg negatief. Zooow verschrikkelijk is deze cursus ook weer niet vind ik. best interessante lezingen, collumnpjes opsturen. Wat is het probleem echt?” Wat het probleem is, moet de lezer nu intussen wel duidelijk zijn.

Het artikel van Menno Lievers in NRC Handelsblad van op zaterdag 11-4-09 (klikken voor groot formaat):


2 opmerkingen:

Anoniem zei

Leuke site!. Er zijn nog weinig goede sites over dit onderwerp te vinden.
Ben blij met jullie toevoeging!
Ik kan helaas geen bookmark aanmaken naar kafekasbergen.blogspot.com in Firefox. :( Weten jullie hoe dit komt?

Groetjes Barbara

WEST OP ZIJN BEST zei

Ha Barbara,

ik weet niet waarom je in Firefox geen bookmark kan aanmaken. Ik gebruik zelf Google Chrome, daarin kan je wel een bookmark aanmaken.

Heb je zelf ook een blog?

Groeten, peter