Deel twee van het Leids drieluik ‘De montere jongens Mozes’
Inzending Mare kerstverhalenwedstrijd 2008. Het juryrapport is hier te lezen.
Negentienhonderd en vijfenzeventig jaar nadat een anonieme Romeinse soldaat in Golgotha de laatste spijker door de hand van de Verlosser sloeg werd Karsten Mozes hardhandig gewekt door zijn huisgenoten. Plaats van het voorval: de zolderkamer van studentenhuis ‘Sine Labore Nihil’ aan de Hogewoerd 63 te Leiden. Gelegen tussen zijn lattenbodem en matras sliep Karsten nog twee uur door. Hij droomde onderwijl dat hij als wolf rondzwierf door een uitgestorven faculteit om uiteindelijk tussen de benen van zijn scriptiebegeleider te gaan liggen en haar ontblootte enkels te likken. Ze was een voluptueuze Griekse vrouw met een neus als die van een beeld van het Paaseiland. Opeens beet hij hard in haar been en versplinterde bot. Ze krijste en Karsten ontwaakte opnieuw. De matras duwde hij van zich af. Starend naar zijn beschimmelde plafond viel een druppel water rechtstreeks in zijn open mond. Vloekend schraapte hij zijn keel en hoestte een rochel op, die hij in een leeg pakje Marlboro uitspuugde. Zijn telefoon die naast zijn bed lag trilde kort: ‘1 oproep gemist - Juliaan (neef)’. Het zou een bewogen dag worden.
‘You’ve got mail’ kraakte een blikkerige vrouwenstem, waarop Karsten naar zijn computer strompelde. Een pop-up verscheen op het scherm: ‘uitleen universiteitsbibliotheek - rappel uitlening - 23/3/07 - Montaigne: Essais’. Hij klikte de mail weg en staarde naar een foto van een hoogblonde vrouw in een cheerleader kostuum die ontegenzeglijk geen onderbroek droeg. Zo’n outfit zou het goed doen op themafeesten meende Karsten, terwijl hij zijn mannendeel heftig tot een hoogtepunt beroerde en op dat moment pas bemerkte dat zijn boxershort zeiknat was.
Onder de douche waste hij sperma, urine en zonden van zich af. Hij poetste zijn tanden zonder tandpasta en puntte met een roestige schaar zijn schaamhaar bij. ‘Vanitas, vriend, ordinaire vanitas’ zei hij hardop terwijl hij de onderkant van zijn scrotum inspecteerde met behulp van het scheerspiegeltje. Dat was nog geen makkelijke opgave, want het spiegeltje hing op ooghoogte. Karsten spande zijn spieren, nam de pose van Michelangelo’s David aan, en constateerde in het scheerspiegeltje een treffende gelijkenis. Hij droogde zich af met zijn Suske & Wiske handdoek en kleedde zich aan.
Beneden lagen zijn huisgenoten Gabriel (‘Gabri’) en Caspar (‘Kleine’) op de bank naar de Sweet Sixteen marathon op MTV te kijken.
- ‘Bedankt voor het keren vanochtend, jongens’, bromde Karsten.
‘Altijd welkom Kars. Had je gezopen? We zagen dat je weer eens in je bed had gepist.’
- ‘Even de trekker overgehaald. Kan anders niet meer slapen tegenwoordig.’
‘Die chicks van Rap 30 kwamen hier zojuist langs. Je hebt ze vannacht weer gebeld, maar ze begrepen je moeilijke verhalen niet. Ze stellen het op prijs als je het niet meer wil doen.’
- ‘Tuurlijk Gabri, no problemo.’
Op televisie gilde een meisje tegen haar vader dat ze geen BMW maar een Ferrari wilde voor haar zestiende verjaardag.
Karsten liep de deur uit langs een campagneposter van oud-huisgenoot Alex P.; ooit veilingmeester, nu politicus. Hij tekende een dun snorretje op P.’s bovenlip en siste tegen de poster: ‘Bravo vriend, van de oprechte schoonheid van de kunsten naar de spuuglelijke hypocrisie van de politiek.’
In de Universiteitsbibliotheek (UB) was het druk, opvallend druk voor een zaterdag. In de computerzaal zaten studenten dicht opeengepakt met koptelefoons op naar beeldschermen te staren. Er werd collegestof-op-video geconsumeerd die door de veelgeroemde hoogleraar Paul C. met bevlogenheid werd opgelepeld. De vele wetbundels in de overbevolkte leeszalen bevestigden het vermoeden dat er tentamens in de Rechtswetenschap ophanden waren. Terwijl Karsten zich aan een tafel zette trilde zijn telefoon in zijn zak. Hij drukte de oproep weg en haalde zijn telefoon tevoorschijn. ‘1 oproep gemist - Juliaan (neef)’ las hij wederom in beeld. Hij verspreidde zijn boeken en aantekeningen over tafel, zodat ze duidelijk in het zicht lagen. Hij las een uurtje in Baudrillard’s ‘Simulacres et simulation’, voelde hoofdpijn opkomen en besloot dat het tijd was voor aspirine en koffie.
In de kantine haalde Karsten een zakje Autodrop uit de snoepautomaat. Hij trok het te wild open, waardoor de vloer bezaaid lag met Zacht Zoete Kevers. Karsten ging door zijn knieën. Verderop begon een dispuutsmeisje in een trui met een slang en een appel erop afgebeeld hem uit te lachen. Karsten keek omhoog. Hij zag een paar brede heupen en forse borsten die strak omspannen werden door een T-shirt met de tekst ‘Madonna: Confessions tour’. Zijn ogen ontmoetten die van de vrouw die bij het T-shirt hoorde. Een moment was er herkenning. De vrouw glimlachte geruststellend. Karsten wende zijn blik af. Er trok een rilling over zijn ruggengraat terwijl hij Dubbele Dubbeldekkers en Frisse Fruit Limo’s van de grond raapte.
Teruggekomen in de leeszaal klapte hij zijn Apple Macbook open en staarde lange tijd naar zijn scherm. ‘Scriptie Karsten Mozes. Over het failliet van de wetenschap en het weten: de overheersende economische rationaliteit van de (post)moderne academie’. Een idiote titel, besefte hij. Cultuurkritiek van de koude grond. Een beroerd geformuleerde aanklacht die nooit een publiek zal hebben. Zijn begeleider had hem terecht megalomanie verweten. Karsten vertrok moedeloos naar het toilet, alwaar hij aan de binnenkant van de deur kraste: Karsten Mozes was hier vaak (‘99-’07). Hij zag dat er naast zijn eigen mededeling iets stond geschreven: ‘Als je homo bent, kijk dan naar boven.’ Karsten keek omhoog. Op het plafond las hij: ‘Zie je wel’.
Om vijf voor vijf verliet Karsten de UB en liep via het Gerecht rechtstreeks naar de markt. Het begon intussen te schemeren. Het scheiden van de markt was in volle gang. Karsten ontweek de stapels lege fruitkratten die door pezige mannen met geweld in gereedstaande vrachtwagens werden geladen. Hij bestudeerde hun ingespannen gezichten, liep ze soms expres in de weg en liet zich vervolgens willoos uitschelden. De marktkooplui die hun kraam nog niet hadden afgebroken probeerden elkaar woest te overschreeuwen. ‘Echte zoete verse dadels uit Marokko, de allerlaatste kom dat zien dan, geen geld, geen geld’. ‘Ja ja dames en heren. Hier vind u de mooiste Hollandse tulpen, twee bossen halen één betalen’
Karsten bestelde twee haringen bij een viswijf met donkere beharing op haar bovenlip. Ze kaakte de haring, veegde snot van haar neus af aan één van haar blauwe handschoenen, en pakte de vis voor hem in. Hij liep door naar de bakkerskraam.
- ‘Heer, wat mag het zijn?’ vroeg een man met schort voor en vele groeven in zijn voorhoofd.
‘Vijf witte bolletjes alstublieft.’
- ‘Vijf voor één euro wordt dat en deze krijgt u er gratis bij, heer.’
De man gaf reikte Karsten met eeltige handen een jodenkoek aan, die hij in zijn zak stopte. Op weg naar huis passeerde hij een zigeuner die op zijn accordeon leunend een sjekkie rookte. Karsten gaf hem de jodenkoek, die hij verbaasd aanpakte en een fractie later woedend op straat smeet. ‘Sugi Pula, heb familie te eten geven, geef geld of niks, curule’ beet de zigeuner hem toe. Karsten versnelde zijn pas totdat hij thuis aankwam.
- ‘Gabri, Kleine, ik heb broodjes haring van de markt’, riep Karsten toen hij de deur binnenstapte. Hij kon horen dat ze nog steeds naar de Sweet Sixteen marathon keken.
‘Fucking mooi Kars’, riep Kleine, ‘We gaan ons vanavond omleggen in café de Hemel. Kom je ook?’
Aarzelend stemde Karsten toe. Hij was eigenlijk van plan om ‘Una giornata particolare’ op te zetten, maar besloot dat op zaterdagavond alleen een film kijken gelijk stond aan capitulatie.
‘Kut, kanker, tering, tyfus.’ Karsten greep naar zijn hoofd en keek omhoog. Boven de lage deur van het toilet in de Hemel hing een bordje met de tekst: ‘een kopstoot van de bar doet minder pijn’. In de spiegel zag Karsten dat er een flinke snee op zijn voorhoofd zat. Hij probeerde het bloeden te stelpen met wc-papier. Dat lukte matig omdat de alcohol zijn bloed had verdund. De alcohol, dacht Karsten, die een starnakel Gerard Reve ertoe had bewogen de Leidse hoogleraar Ton Anbeek ’s ochtends te bellen met de vraag of hij echt niet meer weg te denken was uit de Nederlandse literatuur. Toen het bloeden was gestopt liep Karsten terug de kroeg in.
- ‘Mooie oorlogswond Kars’ zei Gabri, en hij wees naar een zwaar opgemaakt meisje met grote gouden ringen in haar oren. ‘De Leidse stukadoor is net binnengekomen. Die pijpt je voor twee baco’s heb ik gehoord. Ga er even op af dan Kars. Je kunt wel een verzetje gebruiken met die scriptie van je.’
De Hemel was een lawaaierige corpskroeg waar ieder meisje na haar tweede bezoek een bijnaam kreeg, en zo kwam het dat Karsten de Leidse stukadoor aansprak, van wie hij geen flauw idee had wat haar echte naam was.
- ‘Vind je ook niet dat het hier eigenlijk één grote dierentuin is?’ vroeg Karsten aan de stukadoor, die hem met grote ogen vragend aankeek. Haar gezicht gaf een haast oranje gloed door de grote hoeveelheid zelfbruiner die ze erop had gesmeerd. ‘Dit is toch gewoon een paringsritueel...’ Karsten aarzelde even, keek nog eens diep in haar decolleté, en vervolgde toen, ‘…en ik ben een bronstige bonoboaap.’ De stukadoor keerde hem de rug toe, terwijl hij voor de derde keer die dag zijn telefoon voelde trillen.
Karsten liep naar buiten, en keek steunend op de brugleuning van de Sint Jansbrug op zijn scherm: ‘Ingekomen bericht – Juliaan (neef): Kars, Levi lag in het ziekenhuis, auto-ongeluk vannacht, bezopen gereden.hij wilde je nog spreken, probeerde je te bellen vandaag.nu te laat, hij is zojuist overleden’.
Karsten Mozes liep naar de dichtstbijzijnde winkelruit en sloeg er met volle kracht tegenaan. De ruit gaf niet mee, het vel op zijn knokkels barstte open. Hij jankte van de pijn maar sloeg nogmaals tegen de ruit. Het bloed van zijn handen besmeurde een sticker met de mededeling dat er de volgende dag vanwege Pasen geen koopzondag zou zijn.
- ‘Godverdomme, Levi’, schreeuwde Karsten, ‘waarom bezopen in een auto stappen, waarom nou in godsnaam?’ ‘Levi, lieve Levi, ik heb je verraden. Wat wilde je me nog vertellen?’
Hij liep terug naar de brugleuning en keek naar het zwarte water van de Oude Rijn. ‘Als ik er nu inspring’, dacht Karsten, ‘is er niemand die het ziet. Nooit meer de arrogantie van verdwalen in mijn eigen hersenspinsels. Nooit meer onzinnig gepieker over de authenticiteit van emoties. Nooit meer nutteloos, middelmatig en tevergeefs bezig zijn. Ik kan mijn eigen lot bepalen. Ik ben dronken, het koude water zal zorgen dat ik snel bewusteloos ben. Ik zal nooit meer bovenkomen. Dat zal mijn straf zijn voor hoogverraad.’
‘Karsten?’ ‘Karsten Mozes?’ Een vragende stem deed Karsten uit zijn innerlijke monoloog opschrikken. Hij draaide zich om en zag in het maanlicht een vrouwelijke gestalte staan. Hij herkende haar houding en postuur. Met de mouw van zijn trui veegde hij de tranen uit zijn ogen, die hem een scherp zicht belemmerden. Daar stond Hilja. Hilja Nemes.
- ‘Karsten, wat doe je hier in godsnaam?’ vroeg ze.
‘Jezus, dat kan ik beter aan jou vragen Hilja. Ik dacht dat je nog steeds in Italië de ouderdom van de lijkwade van Turijn aan het bepalen was. Daar had je professor toch een nieuwe radiometrische dateringsmethode voor bedacht?’
- ‘Nee, ik ben terug zoals je ziet. Maar ik zie dat jij nog steeds zwelgt in door alcohol ingegeven zelfmedelijden. Je bent niet de eerste Karsten, wel de minste. Jouw zelfbeklag was ook Goethe en Herman Hesse niet vreemd. Zelfs Herman Brusselmans kan nog beter jammeren dan jij. Probeer je jezelf nu nog steeds te gedragen als Werther of Harry Haller? Dat zijn fictieve personages Kars.’
‘Hilja, houd je bek. Dit keer is het anders, dit keer is het echt. Mijn neef Levi is overleden en ik heb hem verraden.’
- ‘Dat is tragisch Karsten. Gecondoleerd met het verlies.’
Even verderop ging een raam open. Een vrouw stak haar hoofd naar buiten en gilde hysterisch ‘of het niet wat zachter kon’.
‘Kom Karsten. Laten we hier weggaan’ zei Hilja. Samen liepen ze via de Visbrug over de Nieuwe Rijn.
- ‘Hilja, luister. Mijn emoties zijn oprecht, dat zie je toch. En als dat een illusie is, dan wil ik leven in die illusie. Ik houd liever mezelf voor gek, dan de totale entzaüberung te laten toeslaan. Dat zou nihilisme zijn Hilja, nihilisme.’
‘Je overdrijft weer eens schromelijk. En waarom gebruik je Duitse begrippen. Reiken Nederlandse woorden niet ver genoeg om je mee uit te drukken?’
- ‘Ik heb die woorden nodig om mijn woede te verwoorden.’
‘Jouw woede, Kars, is verkeerd begrepen imagebuilding. Je cynisme is bedoeld om mensen op afstand te houden. Dat maakt het makkelijker om oordelen te vellen. Nu zal ik jou veroordelen. Je maakt jezelf onmogelijk. Aan je standaarden kan niemand voldoen, ook jijzelf niet. Jij bent een hypocriete egoïst. Je bent kritisch wanneer het je uitkomt, maar het ontbreekt je aan echte zelfreflectie. Je bent tevergeefs op zoek naar een authentieke levenshouding, maar vergeet intussen iedereen om je heen. Je hebt geen gevoel meer voor het alledaagse.’
- ‘Maar ik moet toch ergens sporen achterlaten. Het mag niet onopgemerkt blijven, Hilja.’
‘Waarom zou je je verzetten? Accepteer dat je een voetnoot bent in de geschiedenis. Je foto’s zullen vergelen, je teksten verpulveren. Er zal niets van je overblijven dan een stoffige rommelzolder.’
Op de hoek van de Hooigracht en de Nieuwe Rijn hielden ze stil. Een zwerver liep voorbij. Als Hilja en Karsten goed hadden geluisterd hadden ze hem kunnen horen prevelen ‘…vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren…’. Karsten keek Hilja aan. Even vulde stilte de nacht.
- ‘Ik moet hier naar rechts Hilja Nemes’
‘Laten we naar links gaan Karsten Mozes’
Kasten volgde Hilja naar Hooigracht nummer twaalf. Binnengekomen gebaarde ze hem mee te komen naar de keuken. Daar hing een reproductie van Friedrich’s Der Wanderer über dem Nebelmeer. Karsten keek er gefascineerd naar terwijl Hilja de warme kraan boven de gootsteen opendraaide.
- ‘Karsten, kom hier’.
Hilja waste het geronnen bloed van Karsten’s handen. Toen ze klaar was kuste ze hem. Ze pakte zijn handen die nog nat waren en leidde hem naar haar kamer. Karsten trok zijn schoenen uit en keek naar Hilja terwijl zij hetzelfde deed. Op de achtergrond zong Spinvis over Herfst en Nieuwegein.
- ‘Hilja’, sprak Kars gelaten, terwijl hij haar T-shirt over haar hoofd uittrok. ‘Hilja, is dit vals sentiment?’
Hilja legde een vinger op zijn mond.
- ‘Karsten, nu even mond dicht’.
En Karsten Mozes zweeg.
Precies negen maanden later zou een zoon worden geboren, krijsend en badend in Hilja’s bloed. Hij zou de naam Atlas krijgen, omdat Karsten wist dat hij de wereld op zijn schouders zou moeten torsen.
vrijdag 26 december 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten